uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] ,
geboren op [geboortedag] 1969, van Marokkaanse nationaliteit, eiseres,
(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. G. Erdal).
Inleiding
1. Met het besluit van 22 november 2024 (het primaire besluit) is de mvv-aanvraag van eiseres afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 8 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en beroepsgronden ingediend. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft vervolgens (op 10 en 18 juni 2026) de beroepsgronden aangevuld, waarop de minister heeft gereageerd met een aanvullend verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de aanvraag van eiseres heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Griffierecht
3. Eiseres heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe.
Achtergrond
4. Op 17 juli 2019 zijn eiseres en haar Nederlandse partner getrouwd. Zij wil nu bij haar partner, [persoon] , in Nederland komen wonen. Op 16 november 2021 heeft eiseres een mvv-aanvraag ingediend. Deze aanvraag is afgewezen en het bezwaar hiertegen is ongegrond verklaard. Op 13 mei 2024 heeft eiseres opnieuw een aanvraag ingediend voor een mvv. De aanvraag is ingediend voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] (referent)’.
Besluitvorming
5. Met het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft de minister de aanvraag van eiseres afgewezen. Eiseres voldoet namelijk niet aan het inburgeringsvereiste en komt ook niet voor ontheffing van dit vereiste in aanmerking. De minister heeft een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM gemaakt, waarvan de conclusie is dat het algemeen belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiseres en referent. Het gezinsleven van referent en eiseres is daarom geen reden om alsnog een verblijfsvergunning toe te kennen aan eiseres.
Het verbod op discriminatie
6. Eiseres stelt zich allereerst op het standpunt dat artikelen 3, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, en 7, tweede lid, van Richtlijn 2003/86/EG, in het licht van de artikelen 7, 20, 21 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zo moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan het inburgeringsvereiste voor het verkrijgen van een mvv, waarbij een onderscheid naar nationaliteit wordt gemaakt tussen vreemdelingen die moeten voldoen aan het inburgeringsvereiste in het buitenland en vreemdelingen die daarvan zijn vrijgesteld. Eiseres verwijst daarbij naar de prejudiciële vraag van de Afdeling van 11 juni 2025. Aan eiseres is op grond van haar Marokkaanse nationaliteit, en dus in strijd met voornoemde artikelen, een inburgeringsverplichting opgelegd.
De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van de afwijzing van een aanvraag voor een mvv, enkel op grond van het inburgeringsvereiste, heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 16 april 2024 overwogen dat een dergelijk besluit discriminatoir is. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat niet gebleken is van ‘very weighty reasons’ die het onderscheid op grond van nationaliteit kunnen dragen. De minister heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. Dit hoger beroep heeft ertoe geleid dat de Afdeling op 11 juni 2025 een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Hof. Het Hof moet zich nog uitspreken over deze vraag. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting aangegeven afstand te doen van het verzoek om aanvullende prejudiciële vragen te stellen, gelet op de lange tijd dat dit doorgaans in beslag neemt.
De rechtbank zal in deze zaak in lijn met de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak van 16 april 2024 oordelen. Dit betekent dat het beroep slaagt, omdat het besluit in strijd is met de internationale discriminatieverboden neergelegd in (het 12e Protocol bij) het EVRM, het IVUR, en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De rechtbank ziet aanleiding, met het oog op een mogelijk hoger beroep, de onzekerheid van de uitkomst van de gestelde prejudiciële vraag en in het kader van finale geschilbeslechting, de minister het volgende mee te geven.
Ontheffing van het vereiste
7. Eiseres is van mening dat zij in aanmerking komt voor ontheffing van het inburgeringsvereiste. De medische verklaring van haar psychiater onderbouwt dat er bij eiseres een langdurig onvermogen bestaat om voor het examen te slagen. Deze medische
verklaring bevestigt bovendien de conclusies van de beide instituten waar eiseres les heeft
gehad die verklaren dat zij een concentratie- en geheugenprobleem heeft. Dat de minister deze verklaring terzijde schuift omdat deze niet door de aangewezen arts is afgegeven, is onbegrijpelijk. Ook stelt eiseres dat zij oprechte inspanningen heeft verricht om te slagen voor het examen. Zij heeft jarenlang onderwijs gevolgd bij [school 1] en [school 2]. Zij heeft zich ook voorbereid met het boek ‘naar Nederland’ en heeft daarbij het werkboek gebruikt en de leerroute voor analfabeten gevolgd. Ook heeft zij vele uren geoefend met referent. Dit alles is helaas onvoldoende gebleken om de onderdelen Lees- en Spreekvaardigheid van het inburgeringsexamen te halen. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat referent jarenlang grote bedragen heeft moeten betalen voor alle kosten in verband met het inburgeringsexamen. De stelling van de minister dat het vanwege de slechte resultaten niet aannemelijk is dat eiseres de lessen heeft gevolgd en daarvoor kosten heeft gemaakt, kan eiseres niet volgen. Eiseres heeft ruim vier en half jaar geleden haar aanvraag voor een mvv gedaan, heeft zich zeer ingespannen om voor het inburgeringsexamen te slagen, maar is daar desondanks niet in geslaagd en is nog steeds niet met referent herenigd.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens het arrest K en A, door de minister uitgewerkt in WI 2021/21 ‘Inburgering in het buitenland’, mogen lidstaten de toegang tot hun grondgebied afhankelijk stellen van het vooraf voldoen aan bepaalde integratievoorwaarden, mits deze voorwaarden de integratie van de gezinsleden van de gezinshereniger vergemakkelijken. Het basisexamen in het buitenland is bedoeld om gezinsmigranten een betere startpositie in Nederland te geven. Met het afleggen van het examen kan de integratie in Nederland worden vergemakkelijkt. Het inburgeringsproces wordt in Nederland gecontinueerd. Daarbij acht de minister het van belang dat gezinsmigranten serieuze pogingen en voorbereidingen ondernemen om kennis te nemen van de Nederlandse taal en samenleving. De inspanningen (pogingen en voorbereidingen) van de gezinsmigrant mogen echter niet zo lang duren dat uitoefening van het recht op gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt. Er kan ontheffing worden verleend indien zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen. Daarbij kunnen een rol spelen: de medische omstandigheden van de vreemdeling, de gepleegde inspanningen, de reeds gemaakte kosten ter voorbereiding en/of het afleggen van het basisexamen, de financiële situatie van de betrokken gezinsleden, het opleidingsniveau/analfabetisme, de leeftijd van de vreemdeling, het tijdsverloop sinds de start van de inspanningen tot gezinshereniging en de reisafstand naar de diplomatieke post en de daarmee samenhangende kosten.
De rechtbank kan de minister volgen in het standpunt dat op grond van paragraaf B1/4.7 van de Vreemdelingencirculaire is voorgeschreven dat medische omstandigheden moeten blijken uit een medisch vragenformulier dat is ingevuld door een door de ambassade aangewezen arts en dat eiseres dit formulier niet heeft overgelegd. Daarmee is echter niet voldoende gemotiveerd dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan eiseres zou moeten worden ontheven van het inburgeringsvereiste. Eiseres heeft immers gewezen op verschillende omstandigheden die hiervoor op grond van het beleid van de minister relevant zijn, te weten:
dat zij een vrouw is van 57-jaar oud;
dat zij in haar jeugd geen opleiding heeft genoten;
dat zij al sinds 2019 probeert door middel van onderwijs bij twee opleidingsinstituten en een speciale leerroute voor analfabeten te slagen voor haar inburgeringsexamen;
dat zij volgens deze opleidingsinstituten wordt gehinderd door concentratie- en geheugenproblemen;
en dat zij en referent kosten hebben moeten maken die voor haar en haar echtgenoot zwaar wegen aangezien zij een gering inkomen hebben.
De rechtbank kan de minister niet volgen in het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich jarenlang op een passende manier heeft voorbereid op de examens bij [school 1] en [school 2]. Eiseres heeft van beide lesinstituten een verklaring met een officiële stempel overgelegd waar haar naam op staat. De rechtbank ziet dan ook niet waarom het niet aannemelijk zou zijn dat zij cursussen bij deze instituten heeft gevolgd. Aangezien eiseres cursussen heeft gevolgd en niet in geschil is dat zij examens heeft afgelegd, kan het niet anders dan dat daar kosten mee gemoeid zijn. Eiseres heeft geen eigen inkomen en is afhankelijk van de inkomsten van referent. Ten tijde van de aanvraag zijn er bankafschriften van referent overgelegd waarmee zijn financiële situatie is onderbouwd. Uit deze afschriften komt duidelijk naar voren dat referent het niet breed heeft en het dus een zware financiële last is geweest om jarenlang, sinds 2019, het onderwijs, de examens, de reizen naar de diplomatieke post en het verblijf daar voor eiseres te kunnen bekostigen. Eiseres heeft sinds 2019 zich actief ingespannen door onderwijs te volgen, regelmatig te oefenen met referent en ondanks de vele stress die dit met zich meebracht in totaal zes keer examen te doen. Ook is eiseres speciaal van onderwijsinstituut gewisseld om een cursus voor analfabeten te volgen. Ondanks al deze inspanningen is het eiseres helaas niet gelukt om alle benodigde examens te halen. Gelet op het voorgaande heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat in het geval van eiseres geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat eiseres ontheven dient te worden van het inburgeringsvereiste. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet, gelet op de aard van de gebreken, geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
Omdat eiseres geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan haar te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres wel een vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 8 juli 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.