RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.33360 (beroep) en NL26.33361 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
geboren op 2002, van Soedanese nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser),
(gemachtigde: mr. A.W. IJland),
en
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt zijn overdracht aan Spanje te verbieden totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank doet op grond van de artikelen 8:54, eerste lid onder c, en 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Tot 12 juni 2026 stond dat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek op 15 april 2026 aanvaard.
Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. In artikel 84, tweede lid, van de AMBV is bepaald dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening neergelegd criteria.
Het verzoek van eiser om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
Het besluit gaat ook over de toepassing van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Op grond van dat artikel kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Artikel 35, eerste lid, van de AMBV kent eenzelfde discretionaire bevoegdheid aan de lidstaten toe. In zoverre brengt de inwerkingtreding van de AMBV geen wijziging in de bevoegdheid van een lidstaat. Gelet op het hierna te bespreken nationale overgangsrecht, kan in het midden blijven of artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening van toepassing is onder de werking van artikel 84, tweede lid, van de AMBV of dat artikel 35 van de AMBV van toepassing is op grond van de onmiddellijke werking van de AMBV.
Op grond van artikel IX van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 blijven – voor zover hier relevant – de voorschriften gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 van vóór 12 juni 2026 van toepassing. Dat betekent ook dat het beleid van de minister in C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 over de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening van toepassing blijft. Dit beleid geldt ook als artikel 35, eerste lid, van de AMBV van toepassing is.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de beoordeling van dit beroep uit van het beleid dat is opgenomen in C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals dat luidde voor 12 juni 2026.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser betoogt dat de minister er ten onrechte op vertrouwt dat Spanje zijn internationale verplichtingen nakomt en dat de minister ten onrechte geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid de behandeling van eisers asielverzoek aan zich te trekken. Eiser verwijst in dat verband op zijn eigen ervaringen en op algemene landeninformatie.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielverzoeken hun internationale verplichtingen zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertonen dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals bedoeld in het arrest Jawo.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. Eiser heeft in zijn gronden van beroep gewezen op algemene landeninformatie zonder te concretiseren welke landeninformatie hij bedoelt en wat daar precies uit blijkt. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 25 november 2025 heeft geoordeeld dat ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling is in die uitspraak ingegaan op de opvangomstandigheden in Spanje en heeft onder andere geoordeeld dat het AIDA-rapport update 2024 (april 2025) geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Spanje voor Dublinterugkeerders dan de informatie waar de Afdeling al eerder over heeft geoordeeld. Hoewel het lastig kan zijn voor Dublinterugkeerders om toegang te verkrijgen tot opvangvoorzieningen en de asielprocedure, blijkt niet dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Spanje op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest strijdige behandeling.
In de gronden van beroep heeft eiser verder gewezen op zijn eigen ervaringen. Volgens eiser zou daaruit blijken dat hij niet humaan is behandeld in Spanje en dat zijn klachten daarover niet in behandeling zijn genomen. De rechtbank merkt op dat dit niet strookt met hetgeen eiser heeft verklaard in zijn aanmeldgehoor, daar heeft hij namelijk verklaard dat hij zelf geen persoonlijke problemen heeft ondervonden. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat omdat mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, mogelijke klachten over de opvang in Spanje aan de autoriteiten aldaar kunnen worden voorgelegd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in Spanje voor Dublinterugkeerders niet kan of bij voorbaat zinloos is.
Artikel 17 van de Dublinverordening
6. Voor zover eiser heeft willen betogen dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening zelf in behandeling had moeten nemen, is de rechtbank van oordeel dat eiser dit betoog niet heeft onderbouwd. De beroepsgrond kan reeds daarom niet slagen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Er bestaat ook geen aanleiding om de proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL26.33360:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.33361:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.