[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1993, van Turkse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser),
(gemachtigde: mr. G.W. Mettendaf),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ook beoordeelt de rechtbank eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
Met het bestreden besluit van 22 mei 2026 heeft verweerder de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, dat ertoe strekt dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
De rechtbank doet op grond van de artikelen 8:54, eerste lid, en 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank ziet zich in het kader van de ontvankelijkheid van het beroep voor de vraag gesteld of er nog sprake is van procesbelang. Bij brief van 12 juni 2026 heeft verweerder de rechtbank geïnformeerd dat eiser op of omstreeks 8 juni 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft gelet hierop de gemachtigde van eiser bij bericht van 17 juni 2026 verzocht om de rechtbank te laten weten of zij nog contact heeft met eiser. Bij bericht van 22 juni 2026 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank laten weten dat dit niet het geval is.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit moet worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
4. Omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en de gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat het contact met eiser is verloren, gaat de rechtbank ervan uit dat eiser geen prijs meer stelt op de aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland en een inhoudelijke behandeling van het beroep.
Conclusie
5. Het beroep is wegens het ontbreken van procesbelang kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Omdat de rechtbank met deze uitspraak beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL26.29487:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.29488:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.