ECLI:NL:RBDHA:2026:24854

ECLI:NL:RBDHA:2026:24854

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer NL25.63904
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Asiel, Eritrea. Verweerder heeft de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet op basis van een deugdelijke motivering ongeloofwaardig geacht. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.63904

(gemachtigde: mr. J.E. de Poorte),

en

(gemachtigde: mr. B. Bekers).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 14 oktober 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2003. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser met het bestreden besluit van 23 december 2025 afgewezen als ongegrond en bepaald dat eiser naar Eritrea moet vertrekken..

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Solomon als (telefonische) tolk en de gemachtigde van verweerder.

De telefonische tolk, die door de gemachtigde van eiser is benaderd nadat de gereserveerde tolk kort voor de zitting had afgezegd, heeft herhaaldelijk verklaard dat eiser en hij een verschillende taal spreken en dat zij elkaar slecht begrijpen. Partijen en de rechtbank zijn het erover eens dat wat eiser tijdens de zitting volgens de tolk naar voren heeft gebracht vanwege dit communicatieprobleem niet betrokken kan worden bij de beoordeling van het beroep. Partijen gaven de voorkeur aan een uitspraak boven een nieuwe zitting met een andere tolk. De rechtbank zal deze voorkeur respecteren.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is in 2010, op zevenjarige leeftijd, samen met zijn moeder illegaal uit Eritrea gereisd. Zij deden dit omdat eisers moeder bang was dat eiser op termijn zou worden opgeroepen voor de dienstplicht. Dit was al eerder bij eisers oudere broer gebeurd. Eiser heeft van 2010 tot en met maart 2023 in twee vluchtelingenkampen in Soedan verbleven. Bij terugkeer naar Eritrea vreest hij gevangen te worden gezet en zijn dienstplicht te moeten vervullen.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig. Verweerder heeft de asielmotieven ‘vervullen van de militaire dienstplicht’ en ‘illegale uitreis’ niet getoetst, omdat deze asielmotieven slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.

De beroepsgronden

6. Eiser voert, kort gezegd, aan dat verweerder zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ten onrechte niet geloofwaardig vindt. Eiser stelt zich subsidiair op het standpunt dat verweerder ervan uit moet gaan dat hij ofwel uit Eritrea ofwel uit Soedan afkomstig is. In beide landen loopt hij een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Eiser vindt dat verweerder in het terugkeerbesluit Eritrea niet mag aanmerken als land van terugkeer als verweerder niet gelooft dat eiser uit Eritrea komt.

Beoordeling van de beroepsgronden

7. Eiser heeft zijn verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst (in ieder geval voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit) niet onderbouwd met objectieve documenten. Verweerder heeft beoordeeld of de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser desondanks geloofwaardig zijn. Dit is het geval als eiser voldoet aan de vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat eiser daarmee niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Tegelijkertijd vindt verweerder dat eiser in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw). Anders dan eiser aanvoert, kunnen deze standpunten van verweerder naast elkaar bestaan. Zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft toegelicht, is voor een ontkennend antwoord op de vraag of eiser in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd meer nodig dan dat verweerder zijn verklaringen onaannemelijk acht. Te denken valt aan aantoonbaar liegen of het overleggen van vervalste documenten. Hiervan is in het geval van eiser geen sprake. De gemachtigde van eiser heeft deze uitleg ter zitting niet weersproken. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond slaagt dan ook niet.

De rechtbank zal hierna toetsen of verweerder terecht stelt dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.

9. Verweerder werpt eiser allereerst tegen dat hij weinig kennis heeft over Eritrea en de omgeving waar hij vandaan komt. Verweerder wijst er in dit kader op dat eiser alleen heeft verklaard bekend te zijn met twee omliggende dorpen die naar zijn zeggen ver van zijn woonplaats liggen, waarvan Jangareen op ongeveer 24 kilometer afstand ligt. Eiser heeft niet kunnen verklaren welke plaatsen in de directere omgeving van zijn voormalige woonplaats liggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit kader onvoldoende rekening gehouden met de leeftijd die eiser had toen hij Eritrea verliet. Eiser heeft verklaard dat hij afkomstig is uit [plaats] en dat hij hier tot zijn zevende levensjaar heeft verbleven. Verweerder heeft in de besluitvorming weliswaar meerdere keren benoemd dat eiser Eritrea op jonge leeftijd heeft verlaten, maar dit betekent niet zonder meer dat verweerder daarmee voldoende rekening heeft gehouden bij zijn besluitvorming. Dit blijkt in ieder geval niet kenbaar uit het bestreden besluit. Gelet hierop heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom van eiser, ondanks zijn zeer jonge leeftijd op het moment van het verlaten van Eritrea, mag worden verwacht dat hij meer kan verklaren over de omgeving waar hij vandaan komt. Dat eiser, zoals verweerder benoemt, na het vertrek uit Eritrea nog dertien jaar samen met zijn Eritrese moeder en ook enige tijd met zijn broer heeft geleefd, maakt het voorgaande niet anders. Verweerder heeft niet toegelicht waarom kan worden verwacht dat eiser, die vanaf zijn zevende met zijn moeder in Soedan heeft gewoond, met haar over de omgeving in Eritrea heeft gesproken.

10. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder erkent dat eiser wel enige algemene kennis over Eritrea heeft, bijvoorbeeld over het briefgeld en de bevolkingsgroepen. Hoewel de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft verklaard dat deze algemene kennis in positieve zin voor eiser is meegewogen, blijkt dat zoals eisers gemachtigde terecht heeft opgemerkt niet uit het bestreden besluit.

11. Verweerder vindt het verder niet aannemelijk dat eiser niets weet over de illegale uitreis die hij met zijn moeder heeft gemaakt. Eiser heeft tijdens het nader gehoor (blz. 9) verklaard dat hij het hier wel eens met zijn moeder over heeft gehad. Hij heeft verklaard dat hij alleen van zijn moeder heeft begrepen dat het een heel moeilijke reis was en dat hij het met zijn moeder niet over de details van de illegale uitreis heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom deze verklaringen niet aannemelijk zijn. Het is immers voorstelbaar dat eiser, destijds zeven jaar oud, zich weinig of niets van de uitreis herinnert, maar dat zijn moeder later wel heeft verteld dat de uitreis illegaal en moeilijk was, zonder daarbij gedetailleerd te vertellen hoe de reis is verlopen.

12. De rechtbank merkt verder op dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft bevestigd dat verweerder eiser in het kader van de geloofwaardigheid van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet meer tegenwerpt dat hij tegenstrijdig zou hebben verklaard over zijn identificerende documenten. De rechtbank zal dit punt daarom onbesproken laten.

13. Verweerder vindt het niet aannemelijk dat eiser in Soedan geen vluchtelingenstatus had. Verweerder wijst er in dit kader op dat uit het algemeen ambtsbericht Soedan van 2017, paragraaf 3.2, blijkt dat 95 tot 98% van de geregistreerde Eritrese vluchtelingen in Soedan een UNHCR-vluchtelingenstatus kreeg. Eiser zou dertien jaar in vluchtelingenkampen in Soedan hebben verbleven. Eiser heeft tijdens het aanmeldgehoor (blz. 7) verklaard dat hij nooit een verblijfsrecht of status heeft gehad en (blz. 13) dat hij en zijn moeder wel geregistreerd stonden (samen één dossier). In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij in Soedan een vluchtelingenstatus had en dat zijn naam op het kaartje van zijn moeder stond. In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor heeft eiser aangegeven dat hij geen vluchtelingenstatus had en in de zienswijze heeft hij te kennen gegeven dat hij niet weet of hij wel of geen officiële vluchtelingenstatus had in Soedan. De rechtbank stelt vast dat ter zitting sprake was van een taalprobleem tussen eiser en de tolk, zodat eiser ter zitting geen duidelijkheid heeft kunnen geven over het al dan niet hebben van een vluchtelingenstatus in Soedan. Eiser heeft tijdens zijn gehoren wel verklaard dat hij in twee vluchtelingenkampen (eerst in een kamp genaamd Washarefay, later in een kamp genaamd Kilo 26) in Soedan heeft verbleven en dat er in het laatste kamp brand is geweest. Het is op zich begrijpelijk dat verweerder deze verklaringen niet consistent acht, maar eisers gemachtigde heeft hierover opgemerkt dat eiser waarschijnlijk niet goed begrijpt wat een vluchtelingenstatus juridisch gezien betekent. Deze verklaring is niet op voorhand onaannemelijk. Los daarvan vindt de rechtbank dat verweerder onvoldoende duidelijk heeft gemaakt hoe het al dan niet hebben van een vluchtelingenstatus in Soedan meeweegt in de geloofwaardigheid van eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. Dit argument van verweerder kan de afwijzing van eisers asielaanvraag daarom niet dragen.

14. Verweerder werpt eiser verder tegen dat hij oppervlakkig en slechts in algemeenheden heeft verklaard over de militaire dienstplicht in Eritrea. Verweerder heeft er in dit kader op gewezen dat eiser tijdens het nader gehoor (blz. 11) bijvoorbeeld heeft verklaard dat hij niet bekend is met de civiele dienstplicht. Eiser is wel bekend met Sawa, maar hij heeft geen kennis over wat daar precies gebeurt en hoe lang men daar moet blijven. Hoewel de rechtbank begrijpt dat verweerder vindt dat eiser weinig heeft verklaard over de dienstplicht, heeft de gemachtigde van eiser er ter zitting op gewezen dat het algemeen bekend is dat Eritreeërs op een gegeven moment vertrekken uit vrees voor de dienstplicht en dat de meeste Eritreeërs weinig informatie hebben over wat de dienstplicht precies inhoudt, juist omdat zij doorgaans al op jonge leeftijd vertrekken. Verweerder heeft hier ter zitting niet nader op gereageerd en de rechtbank acht deze uitleg niet onaannemelijk. Mannelijke asielzoekers uit Eritrea krijgen in de regel een verblijfsvergunning asiel, kort gezegd omdat verweerder aanneemt dat dienstplichtigen in Eritrea vaak erg slecht worden behandeld en omdat de dienstplicht voor onbepaalde tijd kan voortduren. Verweerder licht niet toe waarom in dat kader relevant is hoe gedetailleerd een asielzoeker die stelt de Eritrese nationaliteit te hebben over de dienstplicht kan verklaren.

14. Verweerder heeft er verder op gewezen dat eiser niet heeft kunnen verklaren over de werkzaamheden die zijn broer heeft moeten verrichten tijdens zijn militaire dienst. Eiser heeft echter verklaard dat zijn broer eerst in dienst was en later in de gevangenis in Soedan zat en daarom niet beschikbaar was om mee te praten, zodat niet zonder meer is in te zien dat eiser hierover met zijn broer heeft kunnen spreken en dat zijn broer hier meer over wilde vertellen dan hij volgens eiser heeft gedaan.

16. Ten aanzien van de door eiser in de beroepsfase overgelegde kopieën van de identiteitskaarten van zijn ouders overweegt de rechtbank als volgt. Eiser stelt dat hij deze foto’s via zijn broer heeft gekregen. Volgens eiser kan uit deze documenten worden opgemaakt dat zijn ouders de Eritrese nationaliteit hebben. Daardoor is het volgens eiser aannemelijk dat hij ook de Eritrese nationaliteit heeft. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat sprake is van foto’s van kopieën die niet op echtheid kunnen worden onderzocht en dat het niet vaststaat dat het gaat om de ouders van eiser. Dit neemt niet weg dat de namen en geboorteplaatsen die op de kopieën staan overeenkomen met wat eiser tijdens zijn gehoren over zijn ouders heeft verklaard. Verweerder zal deze stukken bij zijn besluitvorming moeten betrekken als hij eisers asielaanvraag opnieuw wil afwijzen.

Conclusie en gevolgen

Beslissing

17. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder heeft de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser daarom niet op basis van een deugdelijke motivering ongeloofwaardig geacht.

18. Het beroep is reeds hierom gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank hoeft de overige beroepsgronden van eiser niet te bespreken.

19. Eiser heeft de rechtbank onder verwijzing naar de arresten Quotal en Ebilum van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 4 juni 2026 (ECLI:EU:C:2026:447 en ECLI:EU:C:2026:448) verzocht te bepalen dat eiser recht heeft op een vluchtelingenstatus, maar de rechtbank ziet daar onvoldoende grond voor. Hoewel de rechtbank de kans dat verweerder eiser alsnog een verblijfsvergunning asiel zal verlenen groot acht, kan niet worden gezegd dat een andere uitkomst evident niet meer mogelijk is. Evenmin is sprake van een situatie waarin al meerdere besluiten op eisers asielaanvraag zijn vernietigd of van andere redenen om zelf in de zaak te voorzien.

20. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuwe beslissing te nemen op de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder mee dat hij, als hij bij zijn standpunt blijft dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig zijn, maar toch een terugkeerbesluit gericht op Eritrea wil opleggen, in het nieuwe besluit een refoulementbeoordeling zal moeten maken. De rechtbank verwijst hierbij naar het arrest Ararat van het Hof van 17 oktober 2024 (ECLI:EU:C:2024:892). Daarnaast zal verweerder in een dergelijk besluit moeten toelichten waarom eisers zaak volgens verweerder anders is dan de zaken die eiser ten grondslag heeft gelegd aan zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting een mondelinge toelichting op dit punt heeft gegeven, overigens zonder specifiek te benoemen welk aspect van deze toelichting bij welk V-nummer hoort, maar uit een oogpunt van transparantie verdient het de voorkeur dat verweerder deze toelichting op papier zet als hij erbij blijft dat eisers asielaanvraag moet worden afgewezen.

21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B. van Velzen

Griffier

  • mr. W. Roozeboom

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand