ECLI:NL:RBDHA:2026:24871

ECLI:NL:RBDHA:2026:24871

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-01-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer AWB 24/6720 en AWB 24/18109
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Artikel 9. Ten laste van. Ondersteuning noodzakelijk. 8 EVRM. Verblijfsaantekening. Beroepen ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 24/6720 en AWB 24/18109

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.E. Martis),

en

(gemachtigde: mr. J.W. Albarda)

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2023 (primair besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 30 januari 2023 tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt afgewezen.

Bij besluit van 18 maart 2024 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/6720.

Op 25 juli 2024 is aan eiser een verblijfsaantekening verstrekt met de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid niet toegestaan'. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 17 oktober 2024 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen bestreden besluit 2. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/18109.

De rechtbank heeft de beroepen op 12 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, telefonisch bijgestaan door [naam 2] als vervanger van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De ouders van eiser zijn ook verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen bestreden besluit 1 (AWB 24/6720)

Inleiding

1. Eiser heeft de Colombiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Hij wenst verblijf bij zijn (stief)vader (referent), [naam 1] , van Duitse nationaliteit. Eiser meent dat hij een van referent afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 21, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) heeft. Daarom heeft hij op 30 januari 2023 een aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw ingediend.

Totstandkoming van bestreden besluit 1

2. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Dit besluit is bij bestreden besluit 1 gehandhaafd. Door verweerder is niet aannemelijk geacht dat aan artikel 8.7, tweede lid, onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en artikel 8.7, derde lid, aanhef en onder a, van het Vb is voldaan door eiser. Eiser heeft namelijk volgens verweerder niet aangetoond dat hij tijdens zijn verblijf in zijn land van herkomst (Colombia) afhankelijk was van de ondersteuning van referent.

Verweerder heeft ambtshalve beoordeeld of eiser aan artikel 8 van het EVRM verblijfsrecht kan ontlenen. Volgens verweerder is dat niet zo. Nu eiser meerderjarig is, dient sprake te zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Daar is volgens verweerder niet van gebleken.

Komt eiser ten laste van referent?

Juridisch kader

Niet in geschil is dat eiser kan vallen onder de Verblijfsrichtlijn, maar daarvoor is wel vereist dat hij ten laste komt van referent. Uit het beleid van verweerder volgt dat wordt aangenomen dat een familielid ten laste komt van een Unieburger als hij - op het moment dat het familielid verzoekt om hereniging in het land van herkomst - materieel wordt ondersteund door de Unieburger. Deze materiële ondersteuning moet noodzakelijk en reëel zijn. Uit het beleid van verweerder volgt verder dat in ieder geval wordt aangenomen dat de materiële ondersteuning noodzakelijk is als het familielid vanwege zijn economische en sociale toestand niet (volledig) in zijn basisbehoefte voorziet. Dat de materiële ondersteuning reëel is, wordt in ieder geval aangenomen als de Unieburger aan het familielid ten minste één jaar ononderbroken regelmatig een som geld heeft betaald welke voor het familielid noodzakelijk is om in zijn basisbehoeften te voorzien in zijn land van herkomst.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is in de uitspraken van 19 april 2016 en 29 november 2023 ingegaan op de arresten Jia en Reyes en heeft daarin overwogen dat uit deze arresten kan worden afgeleid dat uit de enkele omstandigheid dat de referent over een lange periode regelmatig een som geld aan het familielid heeft betaald, niet zonder meer volgt dat de geboden steun ook daadwerkelijk noodzakelijk was om in de basisbehoeften van het familielid te voorzien. Het familielid van de Unieburger moet ook aantonen in welke economische en sociale toestand hij zich in het land van herkomst bevond. De Afdeling heeft verder overwogen dat de noodzaak van financiële ondersteuning volgens het Hof van Justitie kan worden aangetoond met ieder passend middel.

Beroepsgrond

3. Eiser voert aan dat hij in Colombia materieel werd ondersteund door zijn vader en dat deze steun noodzakelijk was om te voorzien in zijn levensonderhoud. Eiser stelt dat uit de door hem overgelegde stukken blijkt dat sprake is van langdurige ononderbroken transacties waardoor eiser zijn basisuitgaven in Colombia kon dekken. Eiser was gedurende deze periode economisch afhankelijk van zijn vader. De economische situatie in Colombia is immers zeer slecht. Het is niet mogelijk voor eiser om een verklaring van een instantie te verkrijgen waarin zijn financiële situatie wordt bevestigd. Bovendien heeft de steun van zijn vader voorkomen dat eiser in een zeer slechte financiële situatie zou komen te verkeren.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank stelt ten eerste vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser heeft aangetoond dat hij ten minste één jaar ononderbroken regelmatig een som geld heeft ontvangen. Eiser heeft dus aangetoond dat de ondersteuning reëel is. Echter, daarnaast moet worden aangetoond dat die ondersteuning voor eiser noodzakelijk was om in zijn basisbehoeften te kunnen voorzien in Colombia. Verweerder stelt terecht dat eiser daarin niet is geslaagd.

Eiser heeft onvoldoende aangetoond in welke economische en sociale toestand hij zich bevond in Colombia. Eiser heeft op dit punt geen stukken overgelegd. De door eiser overgelegde nieuwsberichten over de economische situatie in Colombia zijn niet voldoende om de noodzakelijkheid van de ondersteuning aan te nemen, nu niet is onderbouwd hoe deze informatie ziet op de specifieke situatie van eiser. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder niet aan eiser tegengeworpen dat het noodzakelijk is dat hij een certificaat van een Colombiaanse autoriteit of instelling overlegt, maar verweerder heeft wel van eiser mogen verwachten dat hij inzichtelijk maakt dat de geboden materiële ondersteuning noodzakelijk was om in zijn basisbehoeften te voorzien in Colombia. Het enkel ontvangen van een duurzame financiële bijdrage is immers geen bewijs van de noodzakelijkheid van die financiële bijdrage. Die bijdrage kan namelijk ook voor andere zaken dan basisbehoeften worden aangewend. De (niet-onderbouwde) stelling van eiser dat de geldbedragen voldoende zijn om zijn leven in Colombia te bekostigen doet hier niet aan af, aangezien deze stelling nog steeds niet maakt dat eiser daarmee zou hebben aangetoond dat de financiële bijdrage ook noodzakelijk is om zijn leven in Colombia te bekostigen. Hiertoe is van belang dat eiser – ook ter zitting – niet duidelijk heeft kunnen maken hoe zijn woonsituatie precies was in Colombia nadat zijn ouders naar Nederland waren vertrokken. Eiser heeft niet kunnen toelichten waar en met wie hij woonde en of hij verantwoordelijk was voor (een deel van) de huur gedurende die periode. Hij heeft ook niet door middel van bijvoorbeeld afschrijvingen van de vaste lasten (huur, gas, water, licht) aan kunnen tonen dat het noodzakelijk was om te beschikken over de financiële bijdrage van zijn ouders. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Artikel 8 EVRM

5. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eisers (stief)vader is van hem afhankelijk voor zijn zorg.

6. Hoewel invoelbaar is dat eiser graag bij zijn ouders in Nederland wil verblijven, te meer daar zijn vader zorg behoeft, zoals ter zitting is toegelicht, dient de rechtbank de zaak te beoordelen binnen de geldende (wettelijke) kaders. Binnen die kaders is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor verblijf in Nederland op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft niet aangetoond dat hij en zijn vader meer dan gebruikelijk afhankelijk van elkaar zijn. De stelling van eiser dat zijn vader van hem afhankelijk is voor zijn zorg, is door eiser op geen enkele manier onderbouwd, terwijl dit wel van eiser mag worden verwacht. Eiser heeft weliswaar ter zitting gesteld/toegelicht dat zijn vader gezondheidsproblemen heeft en dat dit erger is geworden, maar – nog los van de omstandigheid dat dit evenmin is onderbouwd - de rechtbank moet de zaak beoordelen naar het moment van de totstandkoming van het bestreden besluit, zijnde 18 maart 2024. Indien eiser meent dat hij thans aan de (medische) situatie van zijn vader een verblijfsrecht kan ontlenen, ligt het op zijn weg om (alsnog) een hiertoe strekkende aanvraag in te dienen. Eiser dient die aanvraag dan wel te onderbouwen met (medische) stukken. Ten slotte merkt de rechtbank nog op dat verweerder – zoals hij ook ter zitting heeft toegelicht – en de rechtbank niet twijfelen aan het karakter of het goede gedrag van eiser, maar dat dit niet maakt dat eiser een verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 8 van het EVRM. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Tussenconclusie

7. Gelet op al het voorgaande is het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond.

Het beroep tegen bestreden besluit 2 (AWB 24/18109)

(Totstandkoming van) bestreden besluit 2

8. Aan eiser is op 25 juli 2024 de sticker "aantekening voorlopige voorziening" met de arbeidsmarktaantekening 'Arbeid niet toegestaan' verstrekt. Het bezwaar hiertegen is bij bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eisers aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, is afgewezen en dat het nog lopende beroep hiertegen (AWB 24/6720) geen opschortende werking heeft op grond van artikel 31 van de Verblijfsrichtlijn. Het verzoek om een voorlopige voorziening mag wel in Nederland worden afgewacht, maar dat levert geen rechtmatig verblijf op.

Beroepsgronden

9. Eiser voert aan dat het nuttig effect van het Unierecht zich verzet tegen de handelswijze van verweerder, waarbij het hem niet is toegestaan om te werken ondanks dat hij rechtsmiddelen heeft aangewend tegen bestreden besluit 1. Het is immers niet mogelijk voor eiser om te voorzien in zijn levensonderhoud in Nederland als hij hier niet mag werken. Verweerder heeft bovendien niet alle relevante omstandigheden meegenomen, waardoor sprake is van een motiveringsgebrek.

Oordeel van de rechtbank

10. De rechtbank stelt vast dat bestreden besluit 2 (de weigering van een arbeidsmarktaantekening ‘arbeid toegestaan’) een direct gevolg is van bestreden besluit 1. Dat zou alleen anders zijn als eiser op andere (rechts)gronden verblijfsrecht ontleent, maar daarvan is niet gebleken. Het ligt dan bovendien op eisers weg om een (nieuwe of andere) verblijfsaanvraag in te dienen.

Ten tijde van bestreden besluit 2 had eiser geen verblijfsrecht in Nederland, aangezien het beroepschrift en de ingediende voorlopige voorziening tegen bestreden besluit 1 niet tot gevolg hadden dat eiser rechtmatig verblijf had en zou mogen werken in Nederland. Anders dan eiser lijkt te stellen, is dit niet vereist op grond van de Verblijfsrechtlijn. Artikel 31, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn bepaalt immers enkel dat het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening tot gevolg heeft dat de verwijdering wordt opgeschort. Nu de rechtbank hiervoor bovendien heeft geoordeeld dat het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is, kan geen sprake zijn van strijd met de Verblijfsrichtlijn, nu eiser hier niet onder valt. Eiser heeft zijn stelling dat sprake is van motiveringsgebreken in bestreden besluit 2 onvoldoende toegelicht. Van strijd met artikel 8 EVRM is ook geen sprake. De rechtbank verwijst hierbij naar overweging 8.

Tussenconclusie

11. Gelet op al het voorgaande is het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond.

Conclusie en gevolgen

12. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Osborne, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M.J. Adriaansen

Griffier

  • mr. L.D. Osborne

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand