ECLI:NL:RBDHA:2026:24885

ECLI:NL:RBDHA:2026:24885

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-03-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer NL24.15883
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Chavez-Vilchez. 8 EVRM. Familierechtelijke band. Langdurige strafrechtelijke detentie. Afhankelijkheidsverhouding. Motiveringsgebreken. Beroep gegrond. Rechtsgevolgen in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman),

uitspraak

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.15883

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Albarda).

Procesverloop

1. Bij besluit van 15 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt (hierna: verblijfsdocument EU/EER), afgewezen.

Bij besluit van 21 augustus 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft dit besluit op 4 oktober 2022 ingetrokken, nadat eiser hiertegen beroep had ingesteld.

Bij besluit van 12 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit opnieuw ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft op 28 mei 2025 een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op 1 november 2025 aanvullende gronden en stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder. Een vriend van eiser (de heer [naam 1] ) is tevens verschenen als informant.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser is staatloos en is geboren op [geboortedatum 1] . Hij verblijft sinds 21 september 1992 in Nederland en is toen in het bezit gesteld van een asielvergunning. In het besluit van 18 september 2009 is eisers verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht per 18 augustus 2005 ingetrokken vanwege eisers strafrechtelijke gedragingen. Het beroep tegen het hiervoor genoemde besluit is op 6 mei 2010 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 18 oktober 2010. Dit besluit staat dus in rechte vast.

Eiser stelt dat hij op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een van zijn minderjarige Nederlandse kinderen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2010, [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2020, en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2021, afgeleid verblijfsrecht heeft. Daarbij doet eiser een beroep op het arrest Chavez-Vilchez van 10 mei 2017 van het Hof van Justitie, ECLI:EU:C:2017:354.

Besluitvorming

3. Verweerder heeft bij primair besluit van 15 november 2019 de aanvraag afgewezen. Op 21 augustus 2020 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft dit besluit op 4 oktober 2022 ingetrokken.

Met het bestreden besluit van 12 maart 2024 heeft verweerder opnieuw op het bezwaar van eiser beslist en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser in het geval van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet de familierechtelijke relatie aannemelijk heeft gemaakt ('voorwaarde b'). De familierechtelijke relatie met [minderjarige 1] is wel aannemelijk gemaakt, maar volgens verweerder verricht eiser geen daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken ('voorwaarde c') en is [minderjarige 1] niet zodanig van eiser afhankelijk dat zij gedwongen zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd ('voorwaarde d'). Eiser heeft daarom geen van zijn dochter afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU, aldus verweerder. Tussen eiser en zijn dochter [minderjarige 1] bestaat gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De belangenafweging valt echter in het nadeel van eiser uit, aldus verweerder. Tussen eiser en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bestaat volgens verweerder geen gezinsleven, daarom heeft verweerder in dat kader geen belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM gemaakt in het bestreden besluit.

Door eiser overgelegde stukken

Eiser heeft in deze procedure, ter onderbouwing van zijn gestelde verblijfsrecht, (onder meer) de volgende bewijsstukken ingebracht:

• In de aanvraagfase:

o Verklaring van de docent van [minderjarige 1] van 12 juli 2019

o Verklaring van de moeder van [minderjarige 1] van 18 juli 2018

o Overzicht van bezoekmomenten tijdens eisers detentie

o Akte van erkenning van 14 juli 2010

o Geboorteakte [minderjarige 1] van 14 juli 2010

o Verschillende foto's

o Brief van eiser van 26 oktober 2019

o Screenshot BRP-registratie

• In de bezwaarfase:

o Brief [minderjarige 1] van 28 november 2023

o Verslag intelligentie onderzoek [minderjarige 1] door Sarr, expertisecentrum autisme van 18 juni 2014

o Verschillende foto's

o Verzoek vervangende toestemming erkenning [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van 25 november 2023

• In de beroepsfase:

o Nieuwe aanvraag verblijfsdocument EU/EER van 18 december 2024

o Geboorteaktes [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

o Uittreksel gezagsregister van 8 januari 2025

o Foto vreemdelingen identiteitsbewijs

o Verschillende foto's

o Verklaring van [naam 2] van 7 november 2024

o E-mailcorrespondentie met Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond van 6 en 7 november 2024

o Beschikking van 25 juli 2024 waarin vervangende toestemming wordt

verleend voor de erkenning van [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

o Ouderschapsplan van 24 maart 2025

Juridisch kader

4. Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat artikel 20 van het VWEU zich verzet tegen de weigering van verblijf aan familieleden van een burger van de Unie als de weigering tot gevolg heeft dat de burger van de Unie het effectieve genot van de voornaamste aan zijn status ontleende rechten wordt ontzegd. Een derdelander, die ouder is van een minderjarig Nederlands kind, kan aanspraak maken op een afgeleid verblijfsrecht als (1) de derdelander een minderjarig kind heeft dat in het bezit is van een nationaliteit van een lidstaat van de EU en (2) tussen de derdelander en het kind een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan de derdelander een verblijfsrecht wordt geweigerd. Uit de rechtsoverwegingen 75 tot en met 78 van het arrest Chavez-Vilchez volgt dat de vreemdeling die een op artikel 20 van het VWEU gebaseerd afgeleid verblijfsrecht wenst te verkrijgen, gegevens moet overleggen waaruit blijkt dat hij een verblijfsrecht aan dit artikel ontleent. Het is vervolgens aan verweerder om op basis van deze overgelegde gegevens te onderzoeken of er een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen de vreemdeling en zijn kind bestaat dat bij een weigering om aan hem een verblijfsrecht toe te kennen het kind gedwongen zal worden het grondgebied van de Unie te verlaten.

Uit het beleid van verweerder in paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals gold ten tijde van belang, volgt dat aan vier cumulatieve voorwaarden moest zijn voldaan om als derdelander, die ouder is van een minderjarig Nederlands kind, een afgeleid verblijfsrecht te kunnen ontlenen aan artikel 20 van het VWEU. Deze vier voorwaarden hielden in dat de derdelander:

a. zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen als hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen;

b. een minderjarig, Nederlands kind heeft;

c. daadwerkelijk voor het kind zorgt; en

d. er een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan hem een verblijfsrecht wordt geweigerd.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025 volgt dat - in tegenstelling tot hetgeen uit de Vc volgde - voorwaarde c en d niet cumulatief zijn.1 Verweerder heeft in Informatiebericht (IB) 2025/39 opgenomen dat voortaan sprake is van drie cumulatieve voorwaarden. In IB 2025/39 staat:

'Uit deze uitspraak volgt dat de voorwaarden over zorgtaken en de afhankelijkheidsverhouding niet langer als zelfstandige, cumulatieve vereisten mogen worden toegepast. Dit betekent dat een aanvraag om een Chavez verblijfsrecht niet meer mag worden afgewezen enkel en alleen op grond van dat sprake is van marginale zorgtaken.

Dus in het vervolg heeft een vreemdeling Chavez-verblijfsrecht op grond van artikel 8 onder e, Vw als hij:

a. zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen als hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen;

b. een minderjarig, Nederlands kind heeft; én

c. er een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelands ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd.

De oude voorwaarde c (aannemelijk maken zorg- en opvoedingstaken) blijft onderdeel van de beoordeling maar kan niet langer fungeren als een zelfstandige afwijzingsgrond. Dit betekent dat je in het vervolg de zorg- en opvoedingstaken betrekt bij de beoordeling van de afhankelijkheidsverhouding tussen de verzorgende ouder en het kind. Je toetst de zorg- en opvoedingstaken nog steeds conform de handvatten uit het IB 2023/31. Het uitoefenen van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken betrek je dan in het voordeel van de vreemdeling terwijl je marginale zorg- en opvoedingstaken in het nadeel van de vreemdeling betrekt.'

1 ECLI:NL:RVS:2025:3344

Beoordeling door de rechtbank

Familierechtelijke band met [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

5. Eiser voert aan dat hij wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt dat hij de ouder is van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Dit blijkt ook duidelijk uit de overgelegde stukken. Voor zowel de moeder, eiser zelf, als voor bijvoorbeeld de Jeugdbescherming staat vast dat eiser de vader is van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De moeder weigert weliswaar toestemming voor erkenning te geven, maar de rechtbank heeft deze toestemming bij beschikking van 25 juli 2024 alsnog verleend.

6. De rechtbank overweegt allereerst dat zij het bestreden besluit 'ex tunc' gaat toetsen. Dit betekent dat de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit beoordeelt aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich ten tijde van het bestreden besluit - op 12 maart 2024 - voordeden. Feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het bestreden besluit worden niet bij deze beoordeling betrokken. De huidige omstandigheden, waaronder voormelde beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2024 en het ouderschapsplan van 24 maart 2025, kunnen worden meegenomen in de nieuwe aanvraag die eiser heeft ingediend om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de vader is van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Uit het dossier blijkt dat alle instanties en betrokkenen niet aan het vaderschap van eiser twijfelen. Dit volgt evenzo uit de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2024. Hieruit volgt dat vaststaat dat eiser de verwekker is van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Deze beschikking dateert weliswaar van na het bestreden besluit, maar de rechtbank merkt de overgelegde beschikking aan als een nadere onderbouwing van een reeds eerder ingenomen standpunt. Dit betekent dat verweerder ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij de familierechtelijke band tussen hem en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet aannemelijk heeft gemaakt. In zoverre slaagt de beroepsgrond.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder ook ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] heeft beoordeeld of eiser meer dan marginale zorgtaken verricht en of sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat zij de EU zouden moeten verlaten als aan eiser geen verblijfsrecht wordt toegekend. Verweerder was hiertoe overigens ook gehouden, gelet op de Afdelingsuitspraak van 6 maart 2023.3 De rechtbank zal daarom beoordelen of

de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank zal hierbij het bestreden besluit beoordelen aan de hand van de onder 4.2. genoemde Afdelingsuitspraak, waarbij het al dan niet verrichten van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken dus niet als zelfstandige voorwaarde dient te worden opgevat, maar relevant is bij de beoordeling van de afhankelijkheidsverhouding tussen de derdelander ouder en zijn Nederlandse kind(eren).

2 Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:888) volgt dat de

toetsingsmaatstaf ziet op het aannemelijk maken, en niet op het aantonen, van de familierechtelijke relatie

3 ECLI:NL:RVS:2023:888

Dit gebrek in het bestreden besluit werkt ook door in de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM. Zo heeft verweerder enkel gezinsleven aangenomen ten aanzien van [minderjarige 1] , maar niet ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Gelet op het voorgaande is dat ten onrechte niet gedaan door verweerder. Ook in dat kader zal de rechtbank (onder 9) beoordelen of de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten.

Daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken en de afhankelijkheidsverhouding

7. Eiser voert aan dat hij weliswaar door zijn strafrechtelijke detentie minder zorg- en opvoedingstaken heeft verricht dan de moeders van zijn kinderen, maar dat niet betekent

dat hij geen daadwerkelijke opvoedingstaken heeft verricht. Zo is [minderjarige 1] gediagnosticeerd met autisme en is het daardoor niet mogelijk een regelmatige zorgregeling af te spreken. Dit laat onverlet dat eiser [minderjarige 1] vaak ziet en veel (telefonisch) contact heeft. Hun band is belangrijk voor [minderjarige 1] zelfbeeld en identiteitsvorming. Verweerder had gelet op de bewijsstukken onderzoek moeten laten doen door de Raad voor de Kinderbescherming. Ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] was niet alleen sprake van samenwoning, maar eiser heeft ook voor hen gezorgd. Hier is weliswaar een einde aan gekomen doordat eiser geen contact meer mag hebben met de moeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , maar eiser ziet hen nog altijd wekelijks. Eiser stelt verder dat, zelfs als sprake is van marginale opvoedingstaken, dit niet afdoet aan de mogelijkheid dat sprake is van afhankelijkheid. Eiser blijft als vader heel belangrijk voor zijn kinderen en hun geestelijke ontwikkeling. Dit laatste wordt door verweerder ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling van de afhankelijkheidsrelatie. Eiser heeft een hechte band met zijn kinderen en die zal worden verbroken door zijn vertrek. Verweerder concludeert zonder onderbouwing dat dit geen grote gevolgen zal hebben voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Die conclusie kan in elk geval nooit worden getrokken zonder rapport van de Raad voor de Kinderbescherming.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij geen daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken verricht voor [minderjarige 1] . Hiertoe is ten eerste van belang dat (ten tijde van het bestreden besluit) geen sprake is van samenwoning met zijn kinderen. Dat dit niet mogelijk is vanwege de strafrechtelijke detentie van eiser kan zo zijn, maar komt wel voor rekening en risico van eiser zelf. Eiser heeft geen bewijsstukken of (objectieve) verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat ondanks zijn detentie sprake is van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken. Dat [minderjarige 1] eiser regelmatig heeft bezocht tijdens zijn detentie en ook regelmatig met eiser belt, maakt het voorgaande niet anders. Ook uit de verklaring van de leerkracht van [minderjarige 1] blijkt niet dat eiser zorgtaken voor zijn rekening neemt. Vaststaat dat de [minderjarige 1] altijd bij haar moeder heeft gewoond en ook dat haar moeder (hoofd)verantwoordelijk is geweest voor haar dagelijkse zorg.

De rechtbank komt tot dezelfde conclusie ten aanzien van de zorg- en opvoedingstaken die eiser stelt te verrichten voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Ook in dit kader geldt dat eiser een groot deel van het leven van zijn twee jongste kinderen gedetineerd is geweest en daardoor logischerwijs weinig betrokken is geweest bij de dagelijkse zorgtaken. Het ligt op de weg van eiser om aan te tonen dat hij - ondanks zijn detentie - wél daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht. Verweerder heeft echter terecht geconstateerd dat eiser daarvan geen bewijsstukken heeft overgelegd. Eiser heeft ook zelf enkel verklaard dat hij aanwezig was bij de geboorte van [minderjarige 3] en dat hij financieel heeft

bijgedragen aan de kosten die hun moeder maakt. Dit heeft hij echter niet onderbouwd met stukken, terwijl dit wel van hem mag worden verwacht.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder - mede gelet op het voorgaande

- heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat eisers kinderen gedwongen zouden zijn de EU te verlaten als aan eiser geen verblijfsrecht zou worden toegekend. Hierbij heeft verweerder gelet op de Afdelingsuitspraak van 22 juli 2025 terecht betrokken dat sprake is van marginale zorg- en opvoedingstaken. De Afdeling heeft namelijk overwogen dat een afhankelijkheidsverhouding (in de zin van het arrest Chavez-Vilchez) doorgaans niet voorstelbaar is wanneer sprake is van niet meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken.

Nu de rechtbank reeds heeft overwogen dat geen sprake is van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken, dient eiser dus bijzondere omstandigheden aan te voeren waaruit blijkt dat toch sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat (één van) de kinderen gedwongen zou worden de EU te verlaten als aan eiser geen verblijfsrecht zou worden toegekend. Van zodanige omstandigheden is geenszins gebleken. De omstandigheid dat [minderjarige 1] is gediagnosticeerd met een autismestoornis is op zichzelf geen zodanige omstandigheid. Eiser heeft immers niet met stukken onderbouwd dat haar lichamelijke of geestelijke ontwikkeling in het geding zou komen indien haar vader de EU zou moeten verlaten. Voor verweerder bestonden ook geen aanknopingspunten om de Raad voor de Kinderbescherming om advies te vragen. Verweerder had immers allereerst van eiser mogen verwachten dat hij zelf beter onderbouwt dat sprake zou zijn van ontwikkelingsschade bij [minderjarige 1] . Hierbij heeft verweerder ook kunnen betrekken dat eiser veelvuldig gedetineerd is geweest en dus al lange periodes zijn relatie met [minderjarige 1] grotendeels op afstand heeft onderhouden. Ditzelfde geldt voor zijn relatie met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Ook deze relatie wordt goeddeels al die tijd op afstand onderhouden. Zo blijkt uit de e-mail van de Jeugdbescherming dat eiser voor zijn detentie wekelijks één uur begeleide omgang had met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Sinds zijn detentie lijkt enkel sprake te zijn van telefonisch contact tussen eiser en zijn kinderen. Dit geeft geen blijk van een zeer sterke afhankelijkheidsrelatie, terwijl dit wel is vereist om verblijfsrecht te kunnen ontlenen aan het arrest Chavez-Vilchez. Dat sprake is van een sterke band tussen eiser en zijn kinderen en dat hij een vaderfiguur voor hen is, wordt verder niet betwist door verweerder, maar dat gegeven is onvoldoende om daaraan verblijfsrecht te kunnen ontlenen.

Verweerder heeft gelet op al het voorgaande - ondanks dat het bestreden besluit van voor de Afdelingsuitspraak van 22 juli 2025 dateert - terecht geconcludeerd dat eiser geen verblijfsrecht kan ontlenen aan het arrest Chavez-Vilchez omdat geen sprake is van een zodanige afhankelijkheid tussen hem en zijn kinderen dat zij gedwongen zouden zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd.

Artikel 8 van het EVRM

9. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Verder heeft verweerder onvoldoende betrokken dat eiser het gezinsleven heeft opgebouwd toen hij nog rechtmatig verblijf had. Dat dit later is ingetrokken doet daar niet aan af. Het economisch belang van verweerder is volgens eiser een gepasseerd station. Bovendien is eiser staatloos, waardoor sprake is van een objectieve belemmering om zich te vestigen in een ander land. Dit werkt ook door in de subjectieve belemmering. Eiser heeft vrijwel zijn hele leven in Nederland gewoond,

waardoor zijn banden met Nederland sterker zijn dan elk ander land. Verweerder kan zich daarom niet enkel beroepen op het belang van de openbare orde.

Naar het oordeel van de rechtbank kan deze beroepsgrond niet slagen. Verweerder heeft zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Hoewel verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geen belangenafweging heeft verricht ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , heeft verweerder ter zitting voldoende toegelicht dat ook die belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt omdat de omstandigheden die in het nadeel van eiser worden meegenomen, nog altijd zwaarder wegen dan de omstandigheden die in het voordeel van eiser wegen. Verweerder heeft kunnen concluderen dat de familierechtelijke band tussen eiser en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] daar geen - doorslaggevende - verandering in brengt. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Verweerder heeft zwaar in het nadeel van eiser kunnen meewegen dat hij is veroordeeld voor verschillende ernstige misdrijven. In totaal is aan hem, tijdens zijn verblijf van (ten tijde van het bestreden besluit) 32 jaar in Nederland, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 17 jaar en 9 maanden. De laatste strafrechtelijke veroordeling dateert van korte tijd geleden en eiser zat ten tijde van het bestreden besluit (en het onderzoek ter zitting) in detentie. Verweerder heeft in dit kader groot belang mogen hechten aan het beschermen van de Nederlandse samenleving. Eiser heeft verder niet betwist dat verweerder dit zwaar in zijn nadeel mag wegen. Eiser heeft enkel gesteld dat verweerder de belangenafweging niet enkel op basis daarvan in zijn nadeel mag laten uitvallen. Dat heeft verweerder echter niet gedaan. Verweerder heeft ook het economische belang betrokken van de Nederlandse samenleving. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij een eigen inkomen vergaart waarmee hij zichzelf (laat staan zijn gezin) kan onderhouden. De enkele stelling dat hij dit wel kan, treft geen doel nu dit niet is onderbouwd met stukken waaruit blijkt dat eiser een eigen inkomen heeft. Eiser heeft verder weliswaar gesteld dat het economisch belang hem niet kan worden tegengeworpen omdat dat een gepasseerd station zou zijn, maar de rechtbank kan dit betoog niet volgen. Dat dit wellicht in een eerdere procedure ook in het nadeel van eiser is meegewogen, maakt niet dat verweerder het nu niet kan tegenwerpen. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat verweerder in het nadeel van eiser heeft kunnen meewegen dat de intensiteit van het gezinsleven met [minderjarige 1] - maar ook met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] - beperkt is. Dat is een logisch gevolg van de zeer langdurige en frequente strafrechtelijke detentie van eiser. De rechtbank verwijst hieromtrent naar hetgeen is overwogen ten aanzien van de afhankelijkheidsrelatie in het kader van Chavez-Vilchez. Dat eiser graag bij zijn kinderen wil blijven in Nederland en dat zijn kinderen ook belang hebben bij de aanwezigheid van hun vader is invoelbaar, maar tevens - gelet op de hiervoor betrokken feiten en omstandigheden - niet ten onrechte door verweerder onvoldoende geacht om tot een verblijfsrecht te kunnen leiden voor eiser.

De rechtbank kan zich weliswaar voorstellen dat eisers stateloosheid, die niet in geschil is, het moeilijk voor eiser kan maken om te vertrekken naar een derde land. In zoverre is dus wel sprake van een objectieve belemmering. Verweerder en eiser zijn vervolgens verdeeld over de vraag of het voor eiser mogelijk is om alsnog een nationaliteit van een derde land te verkrijgen. De rechtbank stelt echter vast dat het enkele feit dat sprake is van een objectieve belemmering- gelet op de zwaar in het nadeel wegende belangen van de zijde van de Staat - niet tot een andere uitkomst van de belangenafweging zou kunnen

leiden. Dit gelet op hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 9.2 is overwogen, en de navolgende overweging.

Verweerder heeft in het bestreden is eisers voordeel meegewogen dat hij eerder rechtmatig verblijf heeft gehad en dat sprake is van inmenging in het gezinsleven van eiser. Verder weegt in het voordeel van eiser mee dat eiser binding heeft met Nederland. Verweerder stelt zich echter terecht op het standpunt dat van sterke sociale en culturele banden niet is gebleken, aangezien de strafrechtelijke antecedenten van eiser hier afbreuk aan doen, waardoor dit minder zwaar in het voordeel van eiser weegt. Dat eiser familie - waaronder zijn moeder die de Nederlandse nationaliteit heeft - en vrienden in Nederland heeft, doet hier niet aan af. Niet is gebleken dat tussen eiser en zijn moeder sprake is van beschermenswaardig familieleven. Eiser heeft dit weliswaar ter zitting naar voren gebracht, maar dit niet onderbouwd.

Gelet op al het voorgaande heeft verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiser kunnen laten uitvallen. Dit betekent dat eiser geen verblijfsrecht aan zijn gezins- of privéleven kan ontlenen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat eiser geen afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU en ook geen verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 8 van het EVRM.

11. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

12. Omdat eiser is vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen, hoeft verweerder dit niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr.

L.D. Osborne, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M.J. Adriaansen

Griffier

  • mr. L.D. Osborne

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand