RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.45777
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en
(gemachtigde: mr. A. van Midden).
Procesverloop
Bij besluit van 12 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Shehabi als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
De grondslag van de aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
1. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw, zodat de bewaringsmaatregel op meerdere grondslagen berust. Uit sub a volgt dat verweerder de vreemdelingenbewaring noodzakelijk acht met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser. Uit sub b volgt dat een vreemdeling die een asielaanvraag heeft gedaan in bewaring kan worden gesteld, indien die bewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan de asielaanvraag en die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 19 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2852) en 6 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4011) volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onderduiking – door middel van de in artikel 5.6, tweede lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) opgenomen gronden – ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen.
In de maatregel heeft verweerder ter onderbouwing van het onderduikrisico als gronden zoals bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Grond c is niet aangekruist, maar wel gemotiveerd in de maatregel.
Zoals hierna zal worden overwogen heeft verweerder het onderduikrisico deugdelijk gemotiveerd. Verweerder kon de maatregel dan ook baseren op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Nu de bewaringsmaatregel al op die grondslag kan worden gebaseerd, hoeft niet meer (ambtshalve) te worden beoordeeld of de bewaringsmaatregel ook kan worden gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Éen bewaringsgrondslag is immers al voldoende om de maatregel op te baseren.
De gronden van de maatregel
2. Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen. Ten aanzien van grond a voert eiser aan dat hij niet beschikt over een geldig paspoort omdat hij als vluchteling Nederland is ingereisd, hij slachtoffer is van mensenhandel en het een feit van algemene bekendheid is dat documenten door mensenhandelaren worden afgenomen. Ten aanzien van grond b stelt eiser dat dit is gebaseerd op oudere besluiten. Eiser meent nog steeds recht te hebben op asiel en kan daarom geen gevolg geven aan zijn eerder opgelegde vertrekplicht. Eisers huidige asielprocedure loopt nog, waardoor niet kan worden gezegd dat zijn aanvraag niet zal leiden tot een verblijfsvergunning asiel en hij dus niet kan terugkeren. Verder stelt eiser ten aanzien van grond c dat hij weliswaar niet over identiteitsdocumenten beschikt, maar hij altijd meewerkend is geweest. De motivering ten aanzien van deze grond acht eiser te algemeen. In het kader van grond p wijst eiser erop dat zijn documenten door mensenhandelaren zijn afgenomen, zoals hij ook naar voren heeft gebracht onder grond a, en hij daarom niet in het bezit is van identificerende documenten. Eiser is verder lang geleden met onbekende bestemming vertrokken; er bestaat geen actueel onderduikrisico. Ten aanzien van grond q betoogt eiser dat hij meerdere aanvragen heeft ingediend om uitzetting te voorkomen, omdat hij vreest voor terugkeer naar Nigeria. Betreffende gronden r en s betoogt eiser dat ook deze onterecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Hij heeft als asielzoeker op een COA-locatie verbleven, al dan niet bij zijn zwangere vriendin, en is bereikbaar geweest. Verder heeft hij als asielzoeker een tegemoetkoming van het COA ontvangen, zodat hij in zijn onderhoud kon voorzien.
De rechtbank is van oordeel dat gronden a en b terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en dat deze, in samenhang bezien, reeds voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Deze gronden zijn immers feitelijk juist. Eiser heeft verklaard dat hij illegaal zonder paspoort de Europese Unie is ingereisd. Hieruit volgt dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. Dat dit verband houdt met zijn status als asielzoeker en zijn reis hiernaartoe, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Verweerder heeft grond a dan ook terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Ook grond b is terecht tegengeworpen. Eiser heeft immers op 10 augustus 2021 een terugkeerbesluit opgelegd gekregen, waarin hem een termijn van vier weken is gegeven om zelfstandig uit Nederland (en Europa) te vertrekken naar Nigeria. Hier heeft eiser geen gevolg aan gegeven. Dat eiser zich thans (opnieuw) in een lopende asielprocedure bevindt, maakt dit niet anders. De gronden a en b kunnen het bestreden besluit al dragen. Om die reden treft de beroepsgrond geen doel en behoeft het geschilpunt over de andere gronden geen bespreking meer.
Lichter middel
3. Eiser betoogt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht, omdat zijn partner zwanger is en hij ook een vijfjarige dochter heeft in [land] . Het familie- en gezinsleven van eiser is onvoldoende kenbaar betrokken bij het lichter middel en verweerder heeft daarnaar onvoldoende onderzoek gedaan. Verweerder had kunnen volstaan met een meldplicht, ook omdat eiser asiel heeft aangevraagd.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of een lichter middel aan de orde was. Verweerder heeft in dat kader eiser voorafgaand aan het opleggen van de maatregel gehoord en concrete vragen gesteld. Eiser heeft desgevraagd aangegeven het bestaan van zijn partner(s) en kind op dit moment niet te kunnen aantonen. Verweerder heeft afdoende gemotiveerd dat niet met een lichter middel kon worden volstaan, gelet op het onderduikrisico, de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het feit dat eiser niets kan onderbouwen of aantonen ten aanzien van zijn gestelde familieleven. Dat eiser aangeeft zich aan een eventuele meldplicht te zullen houden is in het licht van het voorgaande onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.