RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9469
(gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels),
en
(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Ugandese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1980. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, Z. Uwase als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Eerste asielaanvraag
3. Eiser heeft eerder op 26 september 2019 een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en dat hij vanwege zijn geaardheid problemen in Oeganda heeft gekregen. De minister heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat het ongeloofwaardig is dat eiser homoseksueel is en dat hij daardoor problemen heeft ondervonden in Oeganda. Hij heeft daarom de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Eiser was het niet eens met dit besluit en is hiertegen in beroep gegaan. Zijn beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, bij uitspraak van 19 augustus 2021 gegrond verklaard. Het besluit is vernietigd, maar de rechtsgevolgen zijn in stand gelaten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft deze uitspraak op 9 september 2021 bevestigd. Daarmee staat de afwijzing van eisers eerste asielaanvraag in rechte vast.
Onderhavige aanvraag: de tweede asielaanvraag
4. Eiser legt aan zijn tweede asielaanvraag het volgende ten grondslag. Inmiddels is vastgesteld dat bij eiser sprake is van een licht verstandelijke beperking (LVB). Eiser is homoseksueel. In Nederland gaat hij naar bijeenkomsten van verschillende LHBTIQ+-organisaties; [organisatie 1] , [organisatie 2] , [organisatie 3] en [organisatie 4] . Ook neemt hij deel aan pride events, zoals de pride walk en de pride boat met [organisatie 4] in 2024. Door het deelnemen aan de activiteiten heeft eiser meer zelfvertrouwen gekregen. Ook heeft hij geleerd om over zichzelf en zijn geaardheid te praten. Hij is niet veilig in Oeganda als hij zichzelf daar als homoseksueel wil uiten. Homoseksualiteit is daar verboden. Ook is er in 2019 een arrestatiebevel voor hem uitgevaardigd waarin staat dat hij moet verschijnen bij de politie om uit te leggen waarom hij met mannen omging. Verder is er in 2019 ook een brief vanuit de wijk verstuurd naar eiser waarin hij wordt uitgesloten van de gemeenschap wegens zijn geaardheid. Deze documenten heeft hij van zijn tante doorgestuurd gekregen, waardoor hij ze in deze procedure wel heeft kunnen overleggen. Eiser wijst op de volgende stukken:
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief acht de minister ongeloofwaardig, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Daarbij betrekt de minister dat eisers seksuele geaardheid eerder ongeloofwaardig is geacht en dit in rechte vast staat. Eisers verklaringen in de eerdere procedure wegen volgens de minister nog steeds in eisers nadeel. De minister erkent dat er rekening moet worden gehouden met eisers LVB in bijvoorbeeld de vraagstelling en uitleg en bij de beoordeling van de aanvraag. In de vorige procedure is voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader. In de uitspraak van 19 augustus 2021 heeft de rechtbank ook bevestigd dat er voldoende rekening is gehouden met eiser zijn niveau, wijze van vertellen en zijn referentiekader. De minister stelt dat een LVB geen reden kan zijn om inconsistente en tegenstrijdige verklaringen in het geheel niet tegen te werpen of deze met terugwerkende kracht verschoonbaar te achten. Dat eiser nu stukken over zijn LVB heeft ingebracht maakt de eerdere beoordeling niet anders omdat er feitelijk gezien niks is veranderd aan eisers situatie. Volgens de minister is ook in de huidige procedure rekening gehouden met eisers cognitieve vermogens. Dat eiser nu contacten heeft met LHBTIQ+-organisaties en de LHBTIQ+-gemeenschap maakt daarnaast zijn verklaringen over zijn seksuele geaardheid niet alsnog aannemelijk. Verder heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt wat de activiteiten voor de LHBTIQ+-gemeenschap in Nederland voor hem persoonlijk betekenen. De steunbetuigingen van [organisatie 3] , [organisatie 9] , [organisatie 8] , Protestantse diaconie [plaats] , [organisatie 6] en Steunbetuiging [organisatie 5] zijn geen objectief verifieerbare bronnen. Daarom kan hier niet de waarde aan worden gehecht die eiser hieraan wenst te hechten. In deze getuigenverklaringen staat qua feitelijke informatie enkel eisers deelname aan LHBTIQ+-activiteiten omschreven. Het is echter aan eiser om de beleving van zijn geaardheid en ontwikkeling inzichtelijk te maken met zijn persoonlijke verklaringen en hier is eiser niet in geslaagd. De brief van [organisatie 2] en de steunbetuiging van [persoon6] hadden de mogelijkheid om eisers seksuele geaardheid te ondersteunen, maar volgens de minister ligt het zwaartepunt nog altijd bij eisers eigen persoonlijke verklaringen hieromtrent. Zonder persoonlijke, diepgaande eigen verklaringen blijft het onvoldoende om de homoseksuele gerichtheid aannemelijk te achten. De kopieën van een arrestatiebevel en de brief van de wijk kunnen dit niet veranderen. Deze kunnen niet op authenticiteit worden onderzocht en leggen daarom niet voldoende gewicht in de schaal voor een ander oordeel. Met deze documenten kan eiser de verklaringen over zijn homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk maken. Tijdens de vorige procedure was ook al bekend dat eiser door de politie werd gezocht en dat hij werd gezocht door de gemeenschap.
De minister stelt zich gezien het voorgaande op het standpunt dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat er ook geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade. De minister verwijst naar het op 10 juni 2021 opgelegde terugkeerbesluit dat nog steeds geldig is. Ook krijgt eiser een inreisverbod van twee jaar.
Beoordeling gronden van beroep
Referentiekader - LVB
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat hij oppervlakkig heeft verklaard. Er is onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser, waaronder de diagnose LVB en eisers klachten door PTSS. De minister stelt ten onrechte dat in de vorige procedure reeds uitgebreid is toegelicht waarom eiser zijn geaardheid niet geloofwaardig is geacht nu aan deze procedure gebreken kleven. Tijdens de vorige procedure is ook geen rekening gehouden met de kwetsbaarheid van eiser als zijnde een vreemdeling met een LVB.
7. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat er kan worden gesproken van een LVB bij eiser op basis van het psychologisch rapport opgesteld door het [instelling] van 14 maart 2024 waarin is vastgesteld dat eiser een ver beneden gemiddeld intelligentieniveau heeft. Ter zitting heeft de minister tevens erkend dat dit rapport een deskundigenrapport betreft. Het standpunt van de minister dat het rapport niet relevant zou zijn voor het horen omdat uit het rapport niet blijkt op welke manier de LVB invloed zou hebben op het vermogen van eiser om coherent te verklaren, volgt de rechtbank niet. Uit het rapport volgt namelijk dat eiser door zijn intelligentieniveau meer moeite heeft met het leren van nieuwe dingen en het begrijpen van informatie dan andere mensen van zijn leeftijd. Ook heeft hij meer tijd, hulp en uitleg nodig om dingen te begrijpen en om taken uit te voeren. De rechtbank stelt vast dat de minister het lagere intelligentieniveau van eiser in het bestreden besluit heeft erkend. De minister heeft zich echter ten onrechte op het standpunt gesteld dat de overgelegde stukken waaruit eisers LVB blijkt de feitelijke situatie niet anders maakt nu in de vorige procedure al voldoende rekening is gehouden met eiser zijn niveau, wijze van vertellen en referentiekader. In de eerdere procedure konden de minister en de rechtbank in haar uitspraak van 19 augustus 2021 immers geen rekening houden met de LVB van eiser nu het rapport waaruit de LVB blijkt eerst na de vorige procedure is opgesteld en bij de (huidige) opvolgende aanvraag is overgelegd. Ook uit het MedTadvies van 3 juli 2025 volgt niet dat rekening is gehouden met eisers LVB. De minister heeft ter zitting toegelicht dat hij ervan uitgaat dat de medische diensten het document waaruit eisers LVB blijkt hebben gezien en betrokken. Deze (enkele) motivering vindt de rechtbank onvoldoende. De rechtbank betrekt hierbij dat het MedTadvies geen verwijzingen bevat naar het intelligentieniveau van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank is in het bestreden besluit dan ook onvoldoende duidelijk wat de minister van eiser verwacht, waar hij dit op baseert en in hoeverre daarbij rekening is gehouden met eisers beperkingen. Met de toelichting ter zitting dat eiser inzicht moet geven in zijn eigen beleving, dat wordt verwacht dat hij dit in zijn eigen woorden kan vertellen en dat mocht worden verwacht dat eiser meer kon verklaren omdat hij had aangegeven dat hij nu beter kon verklaren, is onvoldoende duidelijk gebleven in hoeverre de LVB is betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank wijst daarbij ook op de uitspraak van de Afdeling van 8 januari 2020 waarin is overwogen dat uit overgelegde iMMO informatie in die zaak volgt dat mensen met een LVB problemen kunnen hebben met het verwerken en terughalen van informatie, dat zij vaak overschat worden en dat zij zich minder goed kunnen uiten over hun seksualiteit. Het had dan ook op de weg van de minister gelegen om nader onderzoek te doen naar de vraag of de punten die aan eiser zijn tegengeworpen mogelijk het gevolg zijn van de LVB.
Verklaringen van derden, arrestatiebevel en brief gemeenschap
8. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte weinig waarde heeft gehecht aan de overgelegde ondersteunende verklaringen alsmede de foto’s die er zijn betreffende de activiteiten in Nederland in verband met de LHBTIQ+ gemeenschap. Dit is onzorgvuldig. De verklaringen geven een aanvullend inzicht in de persoon van eiser, zijn activiteiten binnen de LHBTIQ+ gemeenschap, zijn gevoelsleven en zijn ‘identiteitsreis en groei’, daar waar hij zelf zich mogelijk niet zo goed en gedetailleerd kan uitdrukken.
9. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021 volgt dat een vreemdeling door overgelegde stukken, onder bepaalde omstandigheden, ondersteunend bewijs kan leveren van zijn verklaringen over bepaalde thema’s die bij de integrale beoordeling van belang zijn. Dit betekent dat die stukken, afhankelijk van de door een vreemdeling afgelegde verklaringen, het overige bewijs en de daarover geformuleerde tegenwerpingen, ertoe kunnen leiden dat een vreemdeling zijn seksuele gerichtheid ondanks ontoereikende verklaringen toch aannemelijk heeft gemaakt. Dit is in het bijzonder het geval waar het gaat om informatie over feitelijke aard of verklaringen van objectieve derden over feitelijk gedrag. De minister zal kenbaar moeten motiveren hoe hij rekening heeft gehouden met elk van de aangeleverde stukken.
Naar het oordeel van de rechtbank is in het bestreden besluit onvoldoende duidelijk gemotiveerd hoe de minister de door eiser overgelegde verklaringen heeft betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers homoseksualiteit. De motivering van de minister dat eiser de beleving van zijn geaardheid en ontwikkeling niet inzichtelijk heeft gemaakt met zijn eigen verklaringen en dat een verklaring van een derde hieraan niet kan afdoen, volgt de rechtbank niet. De minister gaat daarmee eraan voorbij dat verklaringen van derden wel degelijk ondersteunend bewijs kunnen leveren aan de verklaringen van eiser over bepaalde thema’s en dat ontoereikende verklaringen van de vreemdeling kunnen worden gecompenseerd. Ook is onvoldoende gemotiveerd hoe de LVB van eiser ter zake is betrokken.
Over de kopieën van het overgelegde arrestatiebevel en de brief van de gemeenschap overweegt de rechtbank als volgt. Uit het L.H. arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat ook een document waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld kan worden gebruikt ter onderbouwing van het asielverzoek. De minister is in dat geval gehouden om dat document in samenwerking met de vreemdeling te beoordelen. De minister kan dus niet volstaan met de overweging dat kopieën niet kunnen worden onderzocht op authenticiteit. De minister heeft ter zake overwogen dat de documenten geen nieuwe informatie bevatten ten opzichte van de vorige procedure, omdat toen ook al duidelijk was dat eiser stelde door de politie te worden gezocht en dat hij niet meer welkom was in de gemeenschap. Vast staat dat eiser de documenten voor het eerst bij zijn opvolgende aanvraag heeft overgelegd. Omdat de minister de opvolgende aanvraag ontvankelijk heeft geacht en inhoudelijk heeft beoordeeld, kon de minister niet zomaar voorbijgaan aan de inhoud van de documenten door te stellen dat het om kopieën gaat en in de eerste procedure al bekend was dat eiser werd gezocht door de politie en de gemeenschap. Met die enkele stelling neemt de minister geen inhoudelijk standpunt in. Het standpunt van de gemachtigde van de minister ter zitting dat uit het arrestatiebevel niet concreet blijkt waarvoor eiser wordt gezocht, kan de rechtbank ook niet volgen. In het arrestatiebevel is immers opgenomen dat eiser wordt beschuldigd van ‘Un Natural Offences’ in strijd met artikel 145 en 146 van de Penal Code Act. Uit artikel 145 blijkt dat ieder die tegennatuurlijke vleselijke gemeenschap heeft met een ander persoon of instemt dat een man deze handelingen bij hem of haar verricht, een misdrijf pleegt en wordt bestraft met een levenslange gevangenisstraf. De minister is in zijn geheel niet (inhoudelijk) ingegaan op de betekenis van de artikelen genoemd in het arrestatiebevel en op de inhoud van de brief van de gemeenschap. De minister heeft de documenten hiermee niet voldoende kenbaar betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers asielmotief.
Gelet op het voorgaande heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat de homoseksualiteit van eiser niet geloofwaardig is. De beroepsgrond slaagt. Het beroep is gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 19 februari 2026;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. R.R. Nortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.