RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47617
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 19 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, Y.O. Adan als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
De bewaringsmaatregel en gronden
1. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Dit omdat het belang van de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en omdat betrokkene de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Andere, minder dwingende alternatieve maatregelen kunnen volgens verweerder niet effectief worden toegepast.
In de maatregel heeft verweerder ter onderbouwing van het onderduikrisico als gronden zoals bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De onbestreden gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
Zicht op uitzetting
2. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting naar Somalië bestaat. Er is op 17 juni 2026 een aanvraag voor een laissez-passer (lp) ingediend bij de Somalische autoriteiten maar daar is tot op heden geen reactie op gekomen.
De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Somalië. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar het standpunt zoals ingenomen in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 2 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:14800, overweging 7). Hieruit volgt dat er in augustus 2025 één lp is afgegeven en in 2026 drie lp’s zijn afgegeven die allemaal hebben geleid tot uitzetting naar Somalië. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Er zijn geen omstandigheden gebleken waaruit zou moeten blijken dat zicht op uitzetting naar Somalië in zijn algemeenheid nu wel zou ontbreken.
Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Somalië in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. Op 17 juni 2026 is een lp-aanvraag ingediend bij de autoriteiten van Somalië. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat er sindsdien maandelijks is gerappelleerd. Dat er nog geen (positieve) reactie van de Somalische autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent, gelet op wat er onder 2.1. is overwogen, niet dat thans in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op eiser de verplichting rust om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting en het lp-traject. Niet is gebleken dat eiser dat voldoende doet, bijvoorbeeld door contact op te nemen met de ambassade van Somalië. Dit houdt ook in het verkrijgen van identiteits- en nationaliteitsdocumenten, waardoor de uitzetting van eiser kan worden bespoedigd. Eiser heeft tijdens zijn vertrekgesprek op 20 augustus 2026 echter verklaard dat hij niet zal meewerken aan zijn vertrek. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Somalië niet ontbreekt. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Non-refoulement
3. Eiser betoogt dat uit de maatregel niet blijkt dat een actuele beoordeling van een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement is gemaakt door verweerder, terwijl dat wel noodzakelijk is. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is er niet gevraagd of hij vreest voor zijn leven bij terugkeer naar Somalië. Verder stelt eiser dat er in de maatregel geen enkele verwijzing wordt gemaakt naar het gehoor of eisers verklaringen, waardoor niet kan worden aangenomen dat de beoordeling van het beginsel van non-refoulement daarin ligt besloten en voldoende kenbaar is. Eiser verwijst hiervoor naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 7 augustus 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:22125).
Eiser heeft op 31 juli 2026 asiel aangevraagd. Deze asielaanvraag is bij (het zeer recente) besluit van 15 augustus 2026 niet-ontvankelijk verklaard. Eisers asielaanvraag betrof een volgende aanvraag, waarbij geen belangrijke nieuwe informatie is gegeven (artikel 38, tweede lid, van de Procedureverordening). Bij de beoordeling van de asielaanvraag is ook getoetst of sprake is van een schending van het verbod op refoulement. Dit bleek niet het geval te zijn. Tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling is eiser gevraagd wat hij vond van het asielbesluit, op welke vraag eiser heeft geantwoord dat hij tijdens zijn asielaanvraag zijn problemen heeft gedeeld. Daarbij merkt de rechtbank op dat geen sprake is van een vergelijkbaar geval als bedoeld in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 7 augustus 2026. Daar was immers – anders dan in dit geval - sprake was van een maatregel waarin geen enkele verwijzing werd gemaakt naar het gehoor of eisers verklaringen. In eisers geval wordt in de maatregel genoemd dat het gehoor, naast de twee (afwijzende) asielbeslissingen alsmede de rechterlijke uitspaak van 21 april 2026, zijn meegewogen in de beoordeling van het non-refoulementsbeginsel. De rechtbank is – mede in het licht van de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3430) - van oordeel dat verweerder daarmee op het moment van oplegging van de maatregel van bewaring genoegzaam heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet. Overigens merkt de rechtbank op dat haar - ambtshalve toetsend – niet is gebleken van schending van het non-refoulement beginsel. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Lichter middel
4. Eiser voert aan dat hij niet goed behandeld wordt in het detentiecentrum. Hij zou gediscrimineerd worden en zwaar mishandeld zijn. Ook blijven de lampen steeds aan. Verder heeft eiser aangegeven dat hij ziek is, wondjes heeft op zijn lichaam en zijn schouder gebroken is. Hij is daarnaast erg emotioneel en angstig.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2019 waaruit blijkt dat van detentieongeschiktheid pas sprake is indien vaststaat dat de in detentie beschikbare medische zorg in het geval van de vreemdeling niet toereikend is. Ook wordt hierin benoemd dat sprake kan zijn van detentieongeschiktheid indien is aangetoond dat de vreemdeling niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan of wanneer zijn psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg verslechteren (ECLI:NL:RVS:2019:1162, overweging 3.2). Dat eiser ontevreden is over de verleende medische zorg, maakt niet dat deze zorg ontoereikend is. De rechtbank begrijpt dat eiser de detentie als zwaar ervaart, maar hij heeft niet onderbouwd dat zijn klachten zodanig zijn, dat verweerder hem als detentieongeschikt had moeten aanmerken en dat de maatregel daarom onevenredig is. Klachten die eiser overigens heeft over de feitelijke uitvoering van het detentieregime of de detentieomstandigheden vallen buiten het beoordelingskader van de bewaringsrechter. Eiser dient zich te wenden tot de directeur van het detentiecentrum om zich hierover te beklagen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.