ECLI:NL:RBDHA:2026:24893

ECLI:NL:RBDHA:2026:24893

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer NL26.47857
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, beroep, inspanningsverplichting, grondslag van de ophouding, gronden van de maatregel, zicht op uitzetting, lichter middel, ambtshalve toetsing, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.47857

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),

en

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F.Z. Elaichouchi als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inspanningsverplichting

1. Eiser betoogt dat verweerder, voorafgaand aan de inbewaringstelling gedurende de periode dat eiser strafrechtelijk gedetineerd was, niet heeft voldaan aan de inspanningsverplichting om aan zijn uitzetting te werken. Eiser heeft van [datum 1] 2026 tot en met [datum 2] 2026 in strafrechtelijke detentie gezeten. Bij aanvang van zijn strafrechtelijke detentie was al duidelijk dat eiser na afloop zou worden overgedragen aan de vreemdelingendienst. Er was dus sprake van een geplande inbewaringstelling. Verder stond sinds [datum 3] 2026 - met de uitspraak van de politierechter en de veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand - vast dat eiser tot [datum 2] 2026 in detentie zou verblijven. Verweerder heeft tijdens eisers strafrechtelijke detentie evenwel geen uitzettingshandelingen verricht.

Ter zitting heeft verweerder primair het standpunt ingenomen dat er geen sprake is van een schending van de inspanningsverplichting. Verweerder voert aan dat bij aanvang van de strafrechtelijke detentie geen vaste einddatum was vastgesteld. Ook uit het formulier externe bijzonderheden zaak (HV21) van 16 augustus 2026 volgt dat de mogelijke einddatum detentie 23 september 2026 was. Volgens vaste rechtspraak kan niet van verweerder worden gevergd dat hij de uitzetting zo voorbereidt, dat deze aansluitend aan het einde van de detentie plaatsvindt en vreemdelingenbewaring achterwege kan blijven, indien de einddatum van de strafrechtelijke detentie nog niet bekend is. Verweerder verwijst hiervoor naar een uitspraak van de Afdeling van de bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:78, overweging 1). Verweerder wijst er verder op dat op de DJI registratiekaart van 27 juli 2026 als einddatum van de detentie 23 september 2026 stond vermeld. Deze registratiekaart dateert van ná de uitspraak van de politierechter, zodat verweerder mocht uitgaan van deze einddatum. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat een belangenafweging in het voordeel van verweerder dient uit te vallen.

De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat verweerder een inspanningsverplichting heeft om zoveel mogelijk te voorkomen dat een vreemdeling direct na afloop van zijn strafrechtelijke detentie in bewaring wordt gesteld. Dit volgt ook uit de huidige paragraaf A5/6.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000. In eisers geval stond, gelet op de M122 van [datum 1] 2026, al op de dag van strafrechtelijke detentie vast dat hij na afloop overgedragen zou worden aan de vreemdelingenpolitie. Desalniettemin zijn tijdens de strafrechtelijke detentie geen uitzettingshandelingen verricht. Dat verweerder meende dat eiser eerst – al dan niet mogelijk – op 23 september 2026 in vrijheid zou worden gesteld, maakt niet dat verweerder daarom kon afzien van uitzettingshandelingen. Als de einddatum verweerder bovendien niet helemaal duidelijk was, zoals volgt uit het HV21 formulier van 16 augustus 2026, had het op verweerders weg gelegen om daarover duidelijkheid te verkrijgen teneinde een situatie als hier aan de orde te voorkomen. Daarbij merkt de rechtbank op dat geen sprake is van een vergelijkbaar geval als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 4 januari 2024. Daar was immers – anders dan in dit geval - sprake was van een vreemdeling die in voorlopige hechtenis verbleef en die nog niet onherroepelijk was veroordeeld, zodat – naar de rechtbank begrijpt - de einddatum ook nog niet bekend kon zijn. De rechtbank komt aldus tot de slotsom dat sprake is van een gebrek. Dit gebrek maakt de bewaring evenwel niet zonder meer onrechtmatig; daarvoor is een belangenafweging noodzakelijk. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:764, overweging 1). Verweerder heeft in dat kader ter zitting gewezen op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, het feit dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan zijn terugkeerverplichting, dat eiser in het bezit is geweest van een vals Pools identiteitsdocument en eiser te kennen heeft gegeven geen gevolg te zullen gaan geven aan zijn terugkeerverplichting. De rechtbank is van oordeel dat het belang van eiser bij de opheffing van de maatregel om deze redenen niet opweegt tegen het belang van verweerder om eiser in afwachting van zijn uitzetting in vreemdelingenbewaring te houden. De beroepsgrond slaagt niet.

Grondslag van de ophouding

2. Eiser betoogt dat de ophouding berust op een onjuiste wettelijke grondslag. Eiser is na zijn strafrechtelijke detentie opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw (identiteit kon onmiddellijk worden vastgesteld). Dit had artikel 50, tweede lid, van de Vw moeten zijn (identiteit kon niet onmiddellijk worden vastgesteld). Eiser had immers geen geldig identiteitsbewijs op grond waarvan zijn identiteit kon worden vastgesteld en heeft geen verifieerbare gegevens verstrekt om zijn identiteit vast te stellen, zoals volgt uit de maatregel van bewaring. Eiser stelt verder de Poolse nationaliteit te hebben. Hij kan dit niet aantonen, maar de Amsterdamse politie heeft op 9 augustus 2025 een nationale identiteitskaart van hem ingenomen waaruit dit wellicht zou kunnen blijken.

De rechtbank oordeelt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat verweerder de uit het strafrecht verkregen gegevens als uitgangspunt mag nemen voor de conclusie dat ten tijde van de vreemdelingrechtelijke ophouding de identiteit onmiddellijk kan worden vastgesteld (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:134). Daarbij heeft eiser op 4 mei 2022 zijn Marokkaans paspoort overhandigd aan de vreemdelingenpolitie. Dat het Marokkaans paspoort inmiddels is verlopen, doet daar niet aan af. De identiteit van eiser kon hierdoor onmiddellijk worden vastgesteld. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling, zoals de hiervoor genoemde uitspraak, volgt weliswaar dat de omstandigheid dat bij de overbrenging en ophouding de gegevens over de identiteit van de vreemdeling die zijn verkregen in het kader van zijn strafrechtelijke aanhouding tot uitgangspunt mogen worden genomen, maar dit niet betekent dat die identiteit in het vervolg als vaststaand moet worden aanvaard. Eiser heeft naar de rechtbank begrijpt mede in dat kader betoogd dat hij beschikt over de Poolse nationaliteit en documenten. Verweerder heeft echter terecht opgemerkt dat eiser dat niet heeft onderbouwd noch aannemelijk heeft gemaakt. De enkele omstandigheid dat de Amsterdamse politie op 9 augustus 2025 een (niet nader genoemde) identiteitskaart van eiser in ontvangst heeft genomen, is onvoldoende om op dat punt tot een ander oordeel te komen. Hierbij komt dat eiser is aangehouden in verband met het bezit van een vals Pools identiteitsdocument, in welk kader hij (op 24 juli 2026) is veroordeeld tot een maand gevangenisstraf, zoals eiser in het gehoor heeft onderkend. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Gronden van de maatregel

3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Dit omdat het belang van de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en omdat betrokkene de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Andere, minder dwingende alternatieve maatregelen kunnen volgens verweerder niet effectief worden toegepast.

In de maatregel heeft verweerder ter onderbouwing van het onderduikrisico als gronden zoals bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;f. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Verweerder heeft ter zitting grond f laten vallen.

Alle gronden zijn door eiser betwist met uitzondering van grond r. Ten aanzien van grond a voert eiser aan dat hij de Poolse nationaliteit heeft en deze grond hem daarom niet kan worden tegengeworpen. Op 9 augustus 2025 is eisers nationale identiteitsdocument ingenomen door de Amsterdamse politie en tot heden heeft hij dit document niet teruggekregen. In dit verband kunnen de gronden c en p hem ook niet worden tegengeworpen. Ten aanzien van grond b voert eiser aan dat hij niet wist dat hij op 9 augustus 2025 een terugkeerbesluit of inreisverbod opgelegd had gekregen. Hij wist dan ook niet dat hij Nederland diende te verlaten. Ten aanzien van grond h voert eiser aan dat hij terug wil naar Polen, het land waarvan hij de nationaliteit heeft. Tot slot kan ook grond s niet worden tegengeworpen, omdat eisers vrouw hem kan ondersteunen in het voorzien van zijn levensonderhoud en het bekostigen van een terugreis.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder grond c terecht aan eiser heeft tegengeworpen. Eiser beschikte niet over een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb, maar had een valse Poolse identiteitskaart, zoals hij in het gehoor heeft onderkend. Daarbij heeft hij geen poging gedaan om aan geldige documenten te komen om deze te kunnen overleggen. Deze grond is dus feitelijk juist. Dit geldt ook voor grond h. Uit het gehoor en het handelen van eiser, waaronder het voorhanden hebben van een valse Poolse identiteitskaart, is niet gebleken dat eisers voornemens is uit eigen beweging te vertrekken. Ook grond p is feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Eiser beschikte immers niet over een geldig document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb, waardoor een uitreis wordt belemmerd. De rechtbank is verder van oordeel dat ook grond r en s feitelijk juist zijn en dat in de maatregel ook voldoende is gemotiveerd waarom hieruit het onderduikrisico volgt. Eiser beschikt immers niet over een vaste woon- en verblijfplaats, zodat hij niet bereikbaar is voor zijn terugkeerprocedure, noch beschikt hij zelfstandig over voldoende middelen van bestaan, zodat hij evenmin in staat is in zijn levensonderhoud te voorzien en zijn terugreis te bekostigen. De gronden c, h, p, r en s kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de overige gronden, laat de rechtbank dan ook onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.

Zicht op uitzetting

4. Eiser betoogt dat het onduidelijk is of er zicht is op uitzetting. Eiser zit sinds 19 augustus 2026 in bewaring en het is onduidelijk of er sinds zijn inbewaringstelling al handelingen zijn verricht voor eisers uitzetting naar Polen dan wel Marokko.

De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. Zoals ook in overweging 2.1 is overwogen heeft eiser enkel verklaard de Poolse nationaliteit te hebben, maar is dit niet onderbouwd. Ter zitting heeft verweerder laten weten dat er op 24 augustus 2026 een aanvraag voor een laissez-passer (lp) is verzonden naar DIA, ter indiening bij de Marokkaanse autoriteiten. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen, of in het bijzonder in het geval van eiser, ontbreekt. Dit is door eiser ook niet betwist. Daarbij is sprake van een kopie van eisers verlopen Marokkaans paspoort, wat volgens verweerder aannemelijker maakt dat een lp zal worden afgegeven. Er zijn ook geen aanknopingspunten die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor eiser geen lp zal worden afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

5. Eiser betoogt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat de inbewaringstelling te belastend is voor eiser. Eiser heeft last van zijn nek waar hij drie jaar geleden aan geopereerd is.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet hoeven volstaan met de toepassing van een lichter middel. Niet is gebleken waarom de in het detentiecentrum beschikbare zorg voor eiser niet toereikend zou zijn. Verweerder heeft in de maatregel kunnen verwijzen naar de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de daaraan ten grondslag gelegde motivering waaruit een onderduikrisico volgt. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de bewaringsmaatregel, noch nadien, zijn omstandigheden gebleken op grond waarvan verweerder had moeten afzien van het opleggen van de maatregel van bewaring. Verweerder heeft zich voldoende zorgvuldig gemotiveerd op het standpunt gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank wijst in dat kader, voor wat betreft de schending van de inspanningsverplichting, naar vaste jurisprudentie van de Afdeling.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M.J. Adriaansen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand