[eiseres],
geboren [geboortedatum] 1990, van Mauritaanse nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna: eiseres,
(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen)
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. G. Erdal).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/ voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep tegen de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiseres en haar verzoek om een voorlopige voorziening.
Bij besluit van 17 september 2025 heeft de minister de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ongegrond verklaard.
Eiseres heeft op 14 november 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit beroep is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer NL25.55999. De rechtbank zal in die zaak een tussenuitspraak doen op dezelfde datum als de uitspraak in deze zaken.
Op 2 januari 2026 heeft eiseres vervolgens een herhaalde asielaanvraag gedaan.
Bij besluit van 19 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de herhaalde aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft op 20 maart 2026 beroep hiertegen ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend die ertoe strekt dat zij de behandeling van haar beroep in Nederland mag afwachten.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 14 augustus 2026 op zitting behandeld tegelijk met het beroep in de zaak met zaaknummer NL25.55999. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, B.S. Westerveld als tolk in de Franse taal en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de herhaalde aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en de voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Juridisch kader
3. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is de Vw en het Vb met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vw en het Vb zoals deze gold tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vw en het Vb dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.
Daarnaast zijn er met dit pact diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Procedurerichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Procedureverordening. In artikel 79 van de Procedureverordening is een overgangsregeling opgenomen die inhoudt dat deze verordening niet van toepassing is op asielaanvragen die vóór 12 juni 2026 zijn ingediend. Gelet hierop zal de rechtbank toetsen aan de Procedurerichtlijn.
Achtergrond en asielrelaas
4. Eiseres heeft de Mauritaanse nationaliteit en behoort tot de Soninké bevolkingsgroep. Eiseres is geboren in Senegal en heeft daar tot 1995 gewoond. Daarna is zij met haar ouders naar Mauritanië gegaan, waar haar ouders vandaan komen, maar omdat de situatie daar niet stabiel was zijn zij weer teruggekeerd naar Senegal. In 1999 is eiseres opnieuw naar Mauritanië gegaan. Eiseres is op 7 november 2024 Mauritanië uitgereisd en heeft op 9 november 2024 in Nederland asiel aangevraagd.
Eiseres heeft het volgende aan haar asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiseres stelt niet terug te kunnen keren naar Mauritanië. Eiseres heeft in Mauritanië in de prostitutie gewerkt en heeft problemen met een van haar klanten, [naam]. Eiseres is samen met hem op 4 juli 2023 opgepakt door de politie en de volgende dag weer vrijgelaten omdat [naam] de politie had omgekocht. [naam] had daarna nog contact met de politie en dreigde eiseres aan te geven. Eiseres is hierdoor twee keer naar Senegal gevlucht. Nadat zij terug was uit Senegal is zij weer in contact gekomen met [naam] en heeft zij seksueel getinte video’s naar hem gestuurd. Ook heeft zij toegestaan dat [naam] haar filmde tijdens het verrichten van seksuele handelingen. [naam] heeft deze video doorgestuurd naar vrienden en dreigde de video naar de politie te sturen. Dit was voor eiseres de aanleiding om weg te vluchten uit Mauritanië. Bij terugkeer naar Mauritanië vreest eiseres voor [naam], haar familie en vervolging door de autoriteiten.
Nadat haar eerste asielaanvraag was afgewezen heeft zij op 2 januari 2026 een herhaalde asielaanvraag gedaan.
Besluitvorming
5. De minister heeft de volgende asielmotieven onderscheiden:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen vanwege (illegale) prostitutie.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. De problemen van eiseres vanwege (illegale) prostitutie worden door de minister niet geloofwaardig geacht. De verklaringen van eiseres vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiseres heeft op meerdere punten ongerijmd verklaard over haar problemen met [naam]. Verder zijn de verklaringen dat [naam] de video’s zou doorsturen naar vrienden en de politie ongerijmd en gebaseerd op vermoedens. De door eiseres gestelde vrees voor haar familie rijmt niet met andere verklaringen die zij heeft afgelegd. Daarnaast heeft eiseres geen gebruik gemaakt van een Marokkaans visum dat zij op 4 september 2024 heeft gekregen. Verder is het feit dat eiseres uit Mauritanië komt op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn of om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Tot slot heeft de minister een terugkeerbesluit aan eiseres opgelegd.
De minister heeft de herhaalde asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft namelijk haar herhaalde asielaanvraag onderbouwd met
documenten waarvan Bureau Documenten heeft geoordeeld dat die waarschijnlijk of hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Daarom kunnen deze documenten niet relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag, nu op voorhand vaststaat dat deze documenten niet kunnen afdoen aan het in de voorgaande procedure genomen besluit. De door eiseres overgelegde documenten kunnen immers niet haar eerder ongeloofwaardig geachte relaas aannemelijk maken. Daarom kunnen deze overgelegde documenten niet worden aangemerkt als een nieuw element of bevinding. Ook heeft de minister afgezien van horen omdat er een beroep wordt gedaan op (nieuwe) informatie of stukken waarvan zonder te horen kan worden vastgesteld dat ze niet leiden tot een ander oordeel dan in de eerdere procedure. Het eerder opgelegde terugkeerbesluit is nog geldig. Tot slot heeft de minister een inreisverbod van twee jaar aan eiseres opgelegd.
Eiseres heeft bij haar herhaalde aanvraag de volgende documenten overgelegd:
- Oproep van de politie van 25 oktober 2024;
- Oproep van de politie van 3 november 2024;
- Opsporingsbevel van 10 november 2024.
Is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen?
6. Eiseres stelt zich allereerst op het standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat zij niet de gelegenheid heeft gekregen om tijdig kennis te nemen van het rapport van onderzoek van Bureau Documenten. Hierdoor kon zij geen gebruik maken van de mogelijkheid om - reeds in de bestuurlijke fase - een contra-expertise te laten verrichten. Eiseres meent verder dat de minister niet alleen inzage had moeten geven in het rapport van onderzoek, maar óók in de wijze waarop dat rapport tot stand is gekomen. Zij doet daarbij een beroep op het arrest Multan. De bevindingen van Bureau Documenten dat de door eiseres aangeboden documenten waarschijnlijk of hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven, laten bovendien ruimte voor de mogelijkheid dat die documenten wel echt zijn. Eiseres meent dat het oordeel dat de minister heeft geveld niet is gebaseerd op voldoende zorgvuldig onderzoek. Eiseres meent dat de minister haar tenminste in de gelegenheid had moeten stellen een contra-expertise te laten uitvoeren.
De minister stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet onzorgvuldig tot stand is gekomen. De onderliggende stukken van het onderzoek door Bureau Documenten zijn door een medewerker ingezien en deze heeft in de vergewisbrief vastgelegd dat op grond daarvan de conclusies kunnen worden onderschreven. Vragen die zien op de methoden van onderzoek, technieken, bronmateriaal respectievelijk het kennisniveau waar bij het onderzoek naar de documenten vanuit is gegaan, worden niet door Bureau Documenten verstrekt. Het verstrekken van de gevraagde informatie zou namelijk inzicht bieden in de werkwijze die Bureau Documenten heeft gehanteerd bij dit soort onderzoek. Het beschikken over inzicht in de manier waarop een dergelijk onderzoek geschiedt en het openbaar maken van bronmateriaal zouden ertoe kunnen leiden dat de gebruikte methoden/technieken, dan wel de beschikbare informatie niet meer gebruikt kunnen worden. De informatie zou ook kunnen leiden tot calculerend gedrag of zelfs verdere vervalsingen. Op grond hiervan worden geen onderliggende stukken betreffende het onderzoek door Bureau Documenten verstrekt. Verder wordt de verwijzing door eiseres naar de uitspraak Multan door de minister niet gevolgd. Dit betrof namelijk een geheel ander onderzoek, namelijk een onderzoek door de Minister van Buitenlandse Zaken in het land van herkomst. Op de zitting heeft de minister er nog op gewezen dat eiseres ook een contra-expertise kan aanvragen zonder de onderliggende informatie van het onderzoek van Bureau Documenten. Ook heeft de minister erop gewezen dat de onderliggende informatie aan de rechtbank kan worden verstrekt middels een 8:29 Awb-procedure.
De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, kan de minister een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaren als de aanvrager geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd aan deze aanvraag, of als de nieuwe elementen en bevindingen niet relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De minister heeft zijn standpunt dat eiseres geen nieuwe elementen of bevindingen in de zin van artikel ten grondslag heeft gelegd aan de aanvraag gebaseerd op de bevindingen van Bureau Documenten. De minister heeft geweigerd de onderliggende stukken van het onderzoek van Bureau Documenten aan eiseres te verstrekken.
In artikel 23, eerste lid, van de Procedurerichtlijn is als volgt bepaald:
“1. De lidstaten zorgen ervoor dat een juridische adviseur of andere raadsman die door het nationale recht als zodanig is erkend of toegelaten en die de verzoeker overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht bijstaat of vertegenwoordigt, toegang heeft tot de informatie in het dossier van de verzoeker op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen.
De lidstaten kunnen een uitzondering maken wanneer de openbaarmaking van informatie of bronnen de nationale veiligheid, de veiligheid van de organisaties of personen die de informatie hebben verstrekt dan wel de veiligheid van de perso(o)n(en) op wie de informatie betrekking heeft, in gevaar zou brengen, of wanneer het belang van het onderzoek in verband met de behandeling van verzoeken om internationale bescherming door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of de internationale betrekkingen van de lidstaten zouden worden geschaad. In dergelijke gevallen moeten de lidstaten:
a)
die informatie of bronnen beschikbaar stellen aan de in hoofdstuk V bedoelde autoriteiten; en
b)
in het nationale recht procedures vaststellen die waarborgen dat het recht van verweer van de verzoeker geëerbiedigd wordt.
In verband met punt b) kunnen de lidstaten met name toegang verlenen tot die informatie of bronnen aan juridische adviseurs of andere raadslieden die aan een veiligheidscontrole werden onderworpen, voor zover de informatie relevant is voor de behandeling van het verzoek of voor het nemen van een beslissing tot intrekking van internationale bescherming.”
De rechtbank sluit zich aan bij de volgende overwegingen in de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 juni 2026 en maakt deze tot de hare:
“6.2. De rechtbank overweegt dat het Hof in het arrest Multan heeft verduidelijkt dat “informatie in het dossier van de verzoeker op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen”, betrekking heeft op alle informatie die relevant kan zijn voor de beslissing. Het enkele feit dat het in de zaak Multan ging om een individueel ambtsbericht, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit arrest slechts ziet op dergelijke stukken. Bovendien heeft verweerder onvoldoende toegelicht waarom het arrest Multan enkel hierop betrekking zou hebben.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat artikel 23 van de Procedurerichtlijn invulling geeft aan het verdedigingsrecht, wat een fundamenteel karakter heeft. Hoewel verweerder heeft aangegeven bereid te zijn de onderliggende stukken naar de rechtbank te sturen door toepassing te geven aan de in artikel 8:29 van de Awb neergelegde procedure, heeft de rechtbank van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Toepassing van deze procedure maakt immers niet dat eiser in de besluitvormingsfase zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Daar komt bij dat de 8:29 Awb-procedure ziet op de beroepsfase. Zoals onder 6.1 overwogen volgt uit artikel 23 van de Procedurerichtlijn dat voorafgaand aan het nemen van het besluit toegang tot de informatie in het dossier van de aanvrager is vereist. Er moet dus worden gewaarborgd dat eiser in de besluitvormingsfase de mogelijkheid moet krijgen om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er op dit moment in het Nederlandse vreemdelingenrecht geen toereikende procedure waarin dit wordt gewaarborgd.”
Met de invoering van het Asiel- en Migratiepact op 12 juni 2026 is de Procedureverordening in werking getreden die van toepassing is op aanvragen vanaf 12 juni 2026. Artikel 18 van deze verordening voorziet in een procedure als bedoeld in artikel 23 van de Procedurerichtlijn. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister meegedeeld dat voorzover haar bekend er nog geen procedure is in de zin van deze bepaling.
De rechtbank is van oordeel dat de beslissing van de minister dat eiseres geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd aan de aanvraag niet in stand kan blijven omdat de minister niet heeft gewaarborgd dat eiseres haar verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen ten aanzien van het onderzoek door Bureau Documenten naar de authenticiteit van de door haar ingebrachte documenten. Gelet hierop is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Het beroep is gegrond.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvraag van 2 januari 2026 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet, gelet op de aard van de gebreken, geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor twaalf weken.
Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiseres, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.15595,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 19 maart 2026;
- draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.15596,
- wijst het verzoek af.
De rechtbank, in beide zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.