ECLI:NL:RBDHA:2026:24897

ECLI:NL:RBDHA:2026:24897

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 31-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer NL26.48110
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, beroep, zicht op uitzetting, voortvarend handelen, ambtshalve toetsing, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.48110

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Agayev),

en

Procesverloop

Verweerder heeft op 13 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft op 20 augustus 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 25 augustus 2026.

Overwegingen

Inleiding

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al meerdere keren heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 juli 2026 (in de zaak NL26.37492) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 10 juli 2026) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 10 juli 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 10 juli 2026 tot 25 augustus 2026.

Zicht op uitzetting

3. Eiser stelt dat het zicht op uitzetting naar India ontbreekt.

De rechtbank heeft in de uitspraak van 13 juli 2026 (NL26.37492) geoordeeld dat er op dat moment nog zicht op uitzetting naar India bestond. De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar India in de in deze uitspraak te toetsen periode is komen te ontbreken. Uit het dossier blijkt dat eiser op 15 juli 2026 in persoon is gepresenteerd bij de Indiase autoriteiten en dat die autoriteiten hebben laten weten dat de aanvraag in onderzoek blijft. Hieruit blijkt dat lp-aanvraag nog in actieve behandeling is bij de Indiase autoriteiten. Dat de Indiase autoriteiten thans, ruim vier maanden na de indiening van de lp-aanvraag, nog geen lp hebben afgegeven betekent niet dat er geen zicht op uitzetting meer bestaat. Met een lp-traject bij de Indiase autoriteiten gaat in het algemeen de nodige tijd (meerdere maanden) gemoeid, zeker als een vreemdeling, zoals in dit geval eiser, al lange tijd geleden zijn land van herkomst heeft verlaten. In dit verband is ook van belang dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn lp-traject. Niet is gebleken dat eiser dat in de te toetsen periode voldoende heeft gedaan. Zo blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 8 augustus 2026 dat eiser niets heeft gedaan om het lp-traject te versnellen en de reactie van de autoriteiten afwacht. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject, als hij wel zou meewerken, op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven.

Gelet op het voorgaande slaagt de onder 3. weergegeven beroepsgrond niet.

Voortvarend handelen

4. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.

Uit de voortgangsrapportage komt naar voren dat verweerder, in de te toetsen periode, op 13 juli 2026 en 5 augustus 2026 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd en op 16 juli 2026 en 20 augustus 2026 schriftelijk bij de Indiase autoriteiten heeft gerappelleerd in verband met de lopende lp-aanvraag. Verder heeft er op 15 juli 2026 dus een presentatie in persoon van eiser bij de Indiase autoriteiten plaatsgevonden. Gelet op deze uitzettingshandelingen heeft verweerder, mede in aanmerking genomen dat hij grotendeels afhankelijk is van de Indiase autoriteiten en van eiser weinig medewerking krijgt, in de te toetsen periode naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gewerkt aan eisers uitzetting naar India.

De onder 4. weergegeven beroepsgrond slaagt dus evenmin.

Slotsom beroepsgronden

5. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.

Ambtshalve toetsing

6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest. Evenmin is het de rechtbank gebleken dat het familie- of gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen eisers verwijdering (vgl. het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.A. Groeneveld

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand