RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47526
(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 18 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser (telefonisch), S. El Matari als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft eiser op 12 augustus 2026 in bewaring gesteld, in verband met zijn asielaanvraag op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Op 17 augustus 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld omdat eiser deze volgens verweerder impliciet heeft ingetrokken. In dit besluit is vermeld dat de termijn om beroep en een voorlopige voorziening in te dienen een week is (tot en met 24 augustus 2026), dat de uitspraak op het beroep niet in Nederland mag worden afgewacht en dat eiser tijdens de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening niet uit Nederland mag worden verwijderd.
Op 18 augustus 2026 heeft verweerder de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw opgeheven en aan eiser een nieuwe bewaringsmaatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat, en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft verweerder ter onderbouwing van het onderduikrisico als gronden zoals bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De rechtbank merkt daarbij op dat de grond onder q. weliswaar is aangekruist, maar niet nader is gemotiveerd. Zonder nadere motivering mag verweerder deze grond niet aan de maatregel ten grondslag leggen.
Grondslag van de bewaringsmaatregel
3. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of de wettelijke grondslag voor de bewaring juist is. Zij overweegt hiertoe als volgt.
Juridisch kader
4. Op grond van artikel 8, aanhef en onder h en onder 2°, van de Vw heeft een vreemdeling - kort gezegd - rechtmatig verblijf in Nederland in afwachting van de beslissing op een beroepschrift, terwijl overeenkomstig artikel 68, tweede of vierde lid, van de Procedureverordening sprake is van een recht om op het grondgebied van Nederland te blijven, dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting achterwege dient te blijven.
Op grond van artikel 68, tweede lid, van de Procedureverordening hebben verzoekers om internationale bescherming het recht om op het grondgebied van de lidstaten te blijven tot de termijn waarbinnen zij hun recht op een doeltreffende voorziening voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg kunnen uitoefenen, verstrijkt en, indien dat recht binnen de vastgestelde termijn wordt uitgeoefend, in afwachting van de uitkomst van de voorziening in rechte (de rechtbank begrijpt: het beroep). In andere woorden, als een asielaanvraag is afgewezen heeft een verzoeker het recht om het grondgebied van de lidstaten te blijven tot de termijn waarbinnen hij beroep kan indienen is verstreken, of totdat op het beroep is beslist. De uitzonderingen op deze hoofdregel zijn opgenomen in artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening. Hierin is onder andere opgenomen dat als een verzoek is afgewezen als impliciet ingetrokken (onder c), de verzoeker in beginsel geen recht heeft om op het grondgebied te blijven in afwachting van het beroep. Wel is een rechterlijke instantie gelet op het bepaalde in lid 4 bevoegd om te beslissen dat die verzoeker op het grondgebied van de lidstaat mag blijven in afwachting van de uitkomst van het beroep (de rechtbank begrijpt: de voorlopige voorzieningenprocedure). Een verzoeker van wie de aanvraag is afgewezen als impliciet ingetrokken kan de voorlopige voorzieningenrechter dus wel verzoeken om zijn beroep in Nederland te mogen afwachten. Uit het vijfde lid van artikel 68 volgt verder dat de verzoeker vanaf de datum van zijn beslissing ten minste vijf dagen de tijd moet krijgen om een voorlopige voorziening in te dienen (onder a) en dat de verzoeker niet wordt verwijderd van het grondgebied tot de termijn waarbinnen een verzoek om te mogen blijven is verstreken, of totdat daarop is beslist (onder d).
De Procedureverordening is rechtstreeks van toepassing.
Beoordeling door de rechtbank
5. In het geval van eiser is zijn asielaanvraag buiten behandeling gesteld omdat deze volgens verweerder impliciet is ingetrokken. Artikel 68, tweede lid, van de Procedureverordening is daarom niet op eiser van toepassing. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser rechtmatig verblijf had zoals bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw zolang de termijn om een voorlopige voorziening in te dienen nog niet was verstreken. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, is de conclusie dat eiser hangende die rechtsmiddelentermijn niet op 18 augustus 2026 in bewaring kon worden gesteld op de grondslag dat hij geen rechtmatig verblijf had, zoals nu is gebeurd.
Uit de beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 5 juli 2018 (ECLI:EU:C:2018:544) (zaak C., J. en S.) volgt dat een vreemdeling van wie het asielverzoek is afgewezen als kennelijk ongegrond gedurende de periode waarin een rechtsmiddel kan worden ingesteld of als een rechtsmiddel is ingesteld, niet op grond van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn in bewaring mag worden gesteld zolang hij volgens artikel 46, achtste lid, van de Procedurerichtlijn op het grondgebied van de betrokken lidstaat mag blijven. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3442) volgt dat een vreemdeling in zo een geval procedureel rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw.
Alhoewel de hiervoor genoemde beschikking van het Hof en de uitspraak van de Afdeling ziet op de situatie waarbij de asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond, ziet de rechtbank aanleiding om deze jurisprudentie ook toe te passen op de situatie waarbij de asielaanvraag buiten behandeling is gesteld omdat deze impliciet is ingetrokken. De rechtbank acht hierbij van belang dat de hiervoor genoemde jurisprudentie betrekking heeft op de uitleg van de nog geldende Terugkeerrichtlijn en artikel 46, achtste lid van de Procedurerichtlijn. Uit de concordantietabel (bijlage bij de Procedureverordening) volgt dat artikel 46, achtste lid, van de Procedurerichtlijn in de Procedureverordening terugkomt in artikel 68, vijfde lid, punt d, van de Procedureverordening. Dit artikel bepaalt dat de verzoeker niet wordt verwijderd van het grondgebied tot de termijn waarbinnen een verzoek om te mogen blijven is verstreken, of totdat daarop is beslist. Blijkens artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening is het vijfde lid ook van toepassing op de situatie waarbij de asielaanvraag is afgewezen omdat deze impliciet is ingetrokken. Verder blijkt uit paragraaf 93 van de considerans (voorafgaande overwegingen bij de Procedureverordening) dat in gevallen waarin de verzoeker niet automatisch het recht heeft om te blijven, een rechterlijke instantie toch de verzoeker (bij een eerste en tijdig ingediend verzoek) moet kunnen toestaan om in afwachting van de uitkomst van het beroep op het grondgebied van de lidstaat te blijven. In dergelijke gevallen moeten verzoekers het recht hebben om te blijven tot de termijn waarbinnen een verzoek om te mogen blijven bij een rechterlijke instantie moet worden ingediend, verstrijkt en, indien de verzoeker binnen die termijn een dergelijk verzoek heeft ingediend, tot de bevoegde rechterlijke instantie een beslissing neemt.
Gelet op het voorgaande, concludeert de rechtbank dat, zolang de termijn om een voorlopige voorziening in te dienen nog niet was verstreken, eiser procedureel rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw omdat hij overeenkomstig artikel 68, vijfde lid, in samenhang met de daaraan voorafgaande leden, van de Procedureverordening het recht had om op het grondgebied van Nederland te blijven. Dit betekent dat eiser in ieder geval tot het moment waarop hij een voorlopige voorziening kon indienen, dus tot en met 24 augustus 2026, rechtmatig in Nederland verbleef. De bewaringsmaatregel kon daarom niet op 18 augustus 2026 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw worden opgelegd. De bewaring is daarom onrechtmatig vanaf 18 augustus 2026.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.
Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 8 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 960,-.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 960,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.