ECLI:NL:RBDHA:2026:24899

ECLI:NL:RBDHA:2026:24899

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-06-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer NL25.49058
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van eisers opvolgende asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de verklaringen van eiser over zijn homoseksuele gerichtheid en daarmee samenhangende problemen nog steeds ongeloofwaardig mogen achten. De minister heeft verder mogen concluderen dat de verklaringen van eiser onsamenhangend waren en geen aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.49058

(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),

en

(gemachtigde: N.L. Schoonbrood).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van eisers opvolgende asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de verklaringen van eiser over zijn homoseksuele gerichtheid en daarmee samenhangende problemen nog steeds ongeloofwaardig mogen achten. De minister heeft verder mogen concluderen dat de verklaringen van eiser onsamenhangend waren en geen aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 3 oktober 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Jordaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1981. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Ben Mohammed als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Eerdere aanvragen

3. Eiser heeft op 14 februari 2019 zijn eerste asielaanvraag ingediend. De minister heeft toen de gestelde homoseksuele geaardheid en de problemen naar aanleiding daarvan niet geloofwaardig geacht. Bij uitspraak van 14 februari 2022 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft deze uitspraak bevestigd met de uitspraak van 2 maart 2023.

4. Op 14 maart 2023 heeft eiser zijn tweede asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is door de minister buiten behandeling gesteld omdat eiser heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard met haar uitspraak van 17 mei 2023. Deze uitspraak is bevestigd door de Afdeling met de uitspraak van 6 juni 2024.

Huidige asielaanvraag

5. Eiser legt aan zijn huidige, derde, asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser voert aan dat hij sinds de laatste asielprocedure gegroeid is in zijn identiteit. Hij heeft geleerd dat hij zichzelf vrijelijk kan uiten en kan laten zien aan anderen. Eiser gaat naar belangenorganisaties en evenementen en spreekt met anderen, waaronder Arabische lhbti'ers, over zijn seksuele gerichtheid. Ook durft eiser zich nu openlijk te kleden en heeft hij een liefdesrelatie gehad in Nederland. Eiser kan daarom niet meer terugkeren naar Jordanië.

Het bestreden besluit

6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. Dat eiser homoseksueel is en problemen heeft vanwege zijn gestelde homoseksuele gerichtheid vindt de minister echter niet geloofwaardig. Volgens de minister heeft eiser onvoldoende documenten overgelegd en daarvoor geen goede verklaring gegeven. Daarnaast vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Eisers verklaringen over wat anders is ten opzichte van de voorgaande procedures, over [naam 1] en over de Pride en andere bijeenkomsten blijven op punten oppervlakkig. Daar komt bij dat eisers asielrelaas in voorgaande procedures ook ongeloofwaardig is geacht. De stukken die eiser tijdens de huidige procedure heeft overgelegd leiden niet tot een ander oordeel. De minister stelt daarom dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat hij bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. Omdat het een opvolgende aanvraag betreft, heeft de minister deze afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast is aan eiser een inreisverbod opgelegd. Eerder heeft eiser al een terugkeerbesluit gekregen. Dat besluit staat in rechte vast.

Oordeel van de rechtbank

Referentiekader

7. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. De minister legt een te hoge en normatieve maatstaf op aan eiser door te verwachten dat eiser precies kan uitleggen waarom en hoe zijn gevoelens zich hebben ontwikkeld. Eiser is ongeschoold en in zijn cultuur is homoseksualiteit een zwaar taboe. Homoseksualiteit is zelfs strafbaar in zijn land van herkomst. Van iemand met een dergelijke achtergrond mag niet dezelfde mate van verfijning worden verwacht als van een hoogopgeleide verbaal vaardige vreemdeling. Dat eisers verklaringen eenvoudig en niet al te hoogstaand of literair zijn, maakt ze ook niet oppervlakkig. Ze zijn juist realistisch in het licht van zijn referentiekader. Niet iedere vreemdeling kan in woorden uitdrukken waarom en op welke manier zijn gevoelens zich hebben ontwikkeld. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest A, B en C ook benadrukt dat er gewaakt moet worden voor het hanteren van stereotiepe of niet reële verwachtingen over hoe iemand met een bepaalde seksuele gerichtheid zijn ervaringen verwoordt.

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister het referentiekader van eiser in acht heeft genomen en heeft betrokken in de besluitvorming. In het voornemen en het bestreden besluit is toegelicht dat gelet op het referentiekader van eiser niet wordt verwacht dat hij gedetailleerde verklaringen af kan leggen en psychologische diepgang toont. Echter mag van eiser wel verwacht worden dat hij kan uitleggen hoe hij het ervaart om een relatie te hebben met iemand van hetzelfde geslacht in een land waar dit is toegestaan. Tijdens het gehoor heeft eiser voldoende gelegenheid gekregen om zijn relaas nader toe te lichten. De hoormedewerker heeft op allerlei manieren doorgevraagd. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de vragen die gesteld zijn op pagina 7 en 8 van het gehoor opvolgende aanvraag. De hoormedewerker vraagt aan eiser: “Dat zijn natuurlijk ook dingen waar een goede vriend bij kan helpen. Waarom is het voor u anders met [naam 1] vergeleken met een gewone vriend?” Daarna geeft de hoormedewerker eiser nogmaals de gelegenheid om dit verder uit te leggen door de volgende vraag te stellen: “U hebt dus met meerdere mannen een korte seksuele relatie gehad. Wat was er anders aan [naam 1] vergeleken met de andere mannen?” Op pagina 10 wordt nogmaals een soortgelijke vraag gesteld: “Hoe waren dat soort activiteiten doen met [naam 1] anders dan met gewone vrienden?” Tijdens het gehoor heeft eiser ook vaak de mogelijkheid gekregen om uitgebreider te verklaren. Er is namelijk vaak aan eiser gevraagd of hij ergens wat meer over kan vertellen en of hij voorbeelden kan geven. Ook heeft de hoormedewerker goed doorgevraagd op de antwoorden die eiser tijdens het gehoor heeft gegeven. Dat blijkt onder andere uit de volgende vragen die aan eiser zijn gesteld op pagina 13 van het gehoor opvolgende aanvraag: “In voorgaande aanvraag gaf u aan dat u geen organisatie nodig had omdat het feit dat u in een land was waar u geaccepteerd werd, al genoeg was. Wat is de reden dat u toch alsnog contact hebt gezocht met deze organisaties?” en verderop “En als we even teruggaan naar [naam 2] . U vertelde dus eerder dat u geen behoefte had aan contact. Het is mij nog niet helemaal duidelijk waarom u dat later wel wilde?” Hieruit blijkt dat de minister wel rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser en met verschillende vragen eiser heeft uitgenodigd om zijn verhaal te vertellen. De rechtbank is van oordeel dat eiser door het verrichte onderzoek ook daadwerkelijk in staat moet worden geacht om met alleen zijn verklaringen zijn gestelde seksuele gerichtheid aannemelijk te maken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Documenten

9. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat aan eiser niet langer wordt tegengeworpen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. Dit behoeft daarom geen verdere bespreking.

Geloofwaardigheidsbeoordeling

10. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zijn verklaringen oppervlakkig zijn. Eiser heeft juist uitvoerig verklaard over zijn relatie met [naam 1] , zijn gevoelens voor hem, zijn eerdere angst in Jordanië en zijn groei in Nederland. Eisers verklaringen over pride en de bijeenkomsten die hij heeft bezocht zijn ook niet oppervlakkig geweest. Dat eiser eerder geen behoefte had aan deze bijeenkomsten maar hier nu wel aan deelneemt, is een logische stap in zijn ontwikkelingsproces. Dat zou de minister niet aan moeten merken als inconsistent maar als authentieke groei. Verder heeft de minister de bewijskracht van de aanvullende stukken miskend. Uit de in de beroepsprocedure overgelegde stukken blijkt dat eiser regelmatig LHBTI-gerelateerde locaties, waaronder sauna’s, bezoekt. Hierover zijn foto’s en betalingsbewijzen aangeleverd. Deze stukken onderbouwen dat eiser zich in Nederland steeds vrijer en zelfverzekerder manifesteert als homoseksuele man. De minister zou deze stukken daarnaast niet alleen individueel maar in samenhang moeten beschouwen.

11. De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eisers verklaringen oppervlakkig zijn en daardoor geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft voldoende uitgelegd waarom de verklaringen van eiser over [naam 1] op essentiële punten oppervlakkig zijn. De minister mag van eiser verwachten dat hij een algemeen beeld kan schetsen van zijn relatie met [naam 1] zonder het enkel benoemen van seksuele handelingen. Eiser heeft de mogelijkheid gekregen om een goed beeld te schetsen van zijn relatie met [naam 1] . Zijn verklaringen geven echter weinig inzicht in zijn gevoelens voor hem. Daar komt bij dat de verklaringen over pride en de bijeenkomsten op punten oppervlakkig blijven. De plotselinge behoefte van eiser aan deze bijeenkomsten heeft de minister niet als een logische stap in zijn ontwikkelingsproces hoeven zien. Eiser heeft hierover meerdere keren wisselend verklaard en hij maakt niet duidelijk waarom hij besloten heeft actief te zijn binnen deze organisaties. Ten slotte mocht de minister concluderen dat de overgelegde stukken niet leiden tot een ander oordeel. De overgelegde documenten en verklaringen van derden heeft de minister meegewogen en bij de beoordeling betrokken. De rechtbank overweegt dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de overgelegde documenten en verklaringen van derden als ondersteunend bewijs kunnen dienen, maar dat deze niet opwegen tegen de summiere en oppervlakkige verklaringen die eiser heeft afgelegd. De verklaringen van eiser zijn het zwaartepunt. De rechtbank is het verder eens met de beoordeling van de minister van de Jordaanse verklaring die eiser heeft overgelegd. Ook als de rechtbank eisers verklaringen en de ondersteunende documenten in samenhang beziet, leidt dit er niet toe dat eisers asielrelaas geloofwaardig is. De minister heeft zich terecht op het hetzelfde standpunt gesteld en dit toereikend gemotiveerd.

Inreisverbod

12. Eiser voert aan dat de minister bij het opleggen van het inreisverbod geen belangenafweging heeft gemaakt. Eiser heeft namelijk minderjarige kinderen uit een eerder huwelijk die in Nederland wonen. Dit gegeven is door de minister volledig buiten beschouwing gelaten. Dat is in strijd met vaste jurisprudentie waarin is bepaald dat bij het opleggen van een inreisverbod steeds een belangenafweging moet plaatsvinden waarin het gezinsleven en het belang van het kind worden betrokken. Omdat de minister dat niet heeft gedaan is het inreisverbod in strijd met artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

13. De rechtbank is van oordeel dat de minister het inreisverbod op heeft mogen leggen aan eiser. De omstandigheid dat eisers minderjarige kinderen op dit moment in Nederland verblijven staat er op dit moment niet aan in de weg om een inreisverbod op te leggen. Mocht het zo zijn dat de kinderen een verblijfsvergunning krijgen in Nederland en eiser hen wil bezoeken kan hij de minister verzoeken om het inreisverbod op te heffen.

Conclusie en gevolgen

14. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen verblijfsvergunning krijgt en Nederland zal moeten verlaten. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 10 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.J. Catsburg

Griffier

  • mr. E.S. Dorsman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand