RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36611
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en
(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening, waarmee verzoeker uitzetting bedoelt te voorkomen gedurende de behandeling van zijn bezwaarschrift. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 64 van de Vw. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 2 juli 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt de voorzieningenrechter te bepalen dat hij niet wordt uitgezet totdat op het bezwaar is beslist en verweerder te verbieden uitzettingshandelingen te verrichten gedurende de bezwaarprocedure.
Op 30 juli 2026 is verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld.
Op 17 augustus 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht op zo spoedig mogelijk op het verzoek om een voorlopige voorziening uitspraak te doen, omdat hij op 22 augustus 2026 zal worden uitgezet naar Algerije.
Verweerder heeft een reactie op het verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De gemachtigde van verzoeker heeft daarop niet binnen de gestelde termijn gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist en kan, als partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, ook uitspraak doen zonder dat een zitting plaatsvindt. De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek om een voorlopige voorziening hangende een procedure of deze procedure een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Is er sprake van spoedeisend belang?
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. Verweerder heeft immers op 17 augustus 2026 een kennisgeving verstuurd aan verzoeker met de mededeling dat hij op 22 augustus 2026 zal worden uitgezet naar Algerije. Bovendien zit verzoeker in vreemdelingenbewaring.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
5. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
Verzoeker voert aan dat bij de beoordeling of er sprake is van een artikel 3 EVRM risico alleen gekeken is of zich binnen drie tot zes maanden geen medische noodsituatie wordt verwacht. Daarmee is er geen volledig onderzoek verricht. Het advies van Bureau Medische Advisering (BMA) van 24 juni 2026, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, is bovendien innerlijk tegenstrijdig. Het BMA concludeert enerzijds dat er geen medische noodsituatie wordt verwacht binnen drie tot zes maanden, maar dat er ná zes maanden wel een situatie kan ontstaan waarbij er ernstige gevolgen kunnen optreden bij het uitblijven van behandeling. Daarmee erkent het BMA dat het staken van de behandeling tot ernstige en mogelijk onomkeerbare gezondheidsschade leidt. Juist bij een progressieve neurologische aandoening, als waar verzoeker aan lijdt, dient verweerder zorgvuldig te beoordelen of het afbreken van een reeds lopende behandeling verantwoord is, aldus verzoeker. Verweerder heeft onvoldoende gewicht toegekend aan verzoekers belangen. Verder is er ten onrechte geen onderzoek gedaan naar behandelmogelijkheden in Algerije en de feitelijke toegankelijkheid van de benodigde zorg. Verzoeker voert verder aan dat het onderzoek door het BMA niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden, nu verzoeker zelf niet is onderzocht en alleen is volstaan met dossieronderzoek. Gelet op bovenstaande punten heeft het bezwaar volgens verzoeker voldoende kans van slagen.
6. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan de verweerder gevolgd worden in zijn stelling dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Verweerder is in zijn reactie van 18 augustus 2026 gemotiveerd ingegaan op de bezwaren van verzoeker. Uit het BMA-advies van 24 juni 2026 volgt dat bij het uitblijven van de behandeling voor verzoekers aandoening, Relapsing Remitting Multiple Sclerose, geen medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden wordt verwacht. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onderschrijft dat van deze indicatieve termijn uitgegaan mag worden. Dat er ná zes maanden wel een situatie kan ontstaan waarbij er ernstige gevolgen kunnen optreden bij het uitblijven van behandeling maakt dat niet anders. Het BMA kan namelijk geen uitspraak doen over het al dan niet optreden van een medische noodsituatie ná zes maanden vanwege mogelijke wijzigingen in de medische situatie van verzoeker en daaruit voortkomende behandeling die kunnen plaatsvinden in de loop der tijd. Het is volgens het BMA voor een arts niet te voorspellen wat het ziekteverloop over een periode langer dan zes maanden zal zijn en de daarmee samenhangende noodzakelijke behandeling kan wijzigen. Deze wijzigingen zijn in het algemeen niet vooraf te bepalen. Daarnaast zullen op de langere termijn ook niet-medische omgevingsfactoren van invloed kunnen zijn op het beloop. Om die reden kan ook niet worden bepaald welke beschikbare behandeling voldoende is om een eventueel te verwachten medische noodsituatie te voorkomen.
7. Omdat er volgens het BMA geen medische noodsituatie binnen een termijn van drie tot zes maanden ontstaat, was verweerder naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet gehouden om onderzoek te doen naar behandelmogelijkheden voor verzoeker in Algerije en de feitelijke toegankelijkheid van de benodigde zorg.
8. De voorzieningenrechter volgt verweerder verder in zijn standpunt dat het BMA-advies zorgvuldig tot stand is gekomen. Het behoort tot de deskundigheid van de BMA-arts om te bepalen of de door de behandelaar verstrekte medische stukken voldoende zijn voor het uitbrengen van een medisch advies of dat de betrokkene gezien dient te worden door de BMA-arts.
9. Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder, anders dan verzoeker lijkt te betogen, zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het besluit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verzoeker ondergaat in Nederland weliswaar een medische behandeling, maar uit het BMA-advies volgt dat er (binnen drie tot zes maanden) geen medische noodsituatie ontstaat als eiser naar Algerije zal vertrekken. Verzoeker heeft bovendien geen andere belangen gesteld die niet al in het BMA-advies zijn betrokken.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.