ECLI:NL:RBDHA:2026:24902

ECLI:NL:RBDHA:2026:24902

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer NL26.47174
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Beroep bewaring art. 59 Vw. Eiser is tweemaal uitgezet naar Roemenië, maar hij heeft zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief beëindigd, verwijderingsbesluit blijft daarom van kracht. Onderduikrisico mag worden aangenomen, voldoende kenbaar gemotiveerd waarom geen lichter middel kon worden toegepast. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.47174

(gemachtigde: mr. K. Ramdhan),

en

(gemachtigde: mr. D.J. Halbesma).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 17 augustus 2026 heeft de minister aan eiser, die de Roemeense nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedatum] 1991, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D. Lautaru als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser onderduikt en omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. Eiser betoogt dat aan de bewaring geen rechtmatig verwijderingsbesluit ten grondslag ligt. De bewaring is daarom vanaf aanvang onrechtmatig. Eiser wijst in dat verband op het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van

22 juni 2021. Daaruit volgt dat een nieuw verwijderingsbesluit moet worden genomen als de vreemdeling gevolg heeft gegeven aan het eerder opgelegde verwijderingsbesluit en hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Dat is hier het geval, eiser is zelfs gedwongen verwijderd door de minister.

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. De rechtbank is van oordeel dat het verwijderingsbesluit van 22 januari 2025 zijn werking nog niet heeft verloren en dat eiser niet rechtmatig in Nederland verbleef.

Eiser is op 11 april 2025 en op 18 maart 2026 uitgezet naar Roemenië, maar beide keren is niet gebleken dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Zo heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij op 18 april 2026 weer is teruggekeerd naar Nederland ‘voor de drugs’ en valt uit de motivering in de maatregel af te leiden dat eiser vanaf 7 mei 2026 meer dan zeven keer werd staande-/aangehouden vanwege diverse openbare ordeverstoringen. Eiser heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een wijziging in de materiële omstandigheden waardoor hij thans weer rechtmatig verblijf zou hebben. Daarom moet worden aangenomen dat eisers verblijf hier in werkelijkheid een voortzetting is van zijn eerdere verblijf in Nederland. De minister was daarom niet verplicht om een nieuw verwijderingsbesluit te nemen en kon de bestreden maatregel baseren op het verwijderingsbesluit van 22 januari 2025.

6. Eiser betoogt verder dat de minister de gronden a en r ten onrechte heeft tegengeworpen.

Voor zover eiser daarmee bedoelt te betogen dat er geen onderduikrisico is, overweegt de rechtbank dat de minister de gronden a en r heeft kunnen tegenwerpen. Eiser kan immers niet aantonen dat hij met een geldig reisdocument naar Nederland is gereisd en hij beschikt niet over een vaste woon- of verblijfplaats. De minister heeft daarnaast ook de niet betwiste gronden p en s kunnen tegenwerpen. Deze vier gronden, in onderlinge samenhang bezien, zijn voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.

7. Eiser betoogt ten slotte dat de minister in de maatregel onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Het feit dat eiser drugsverslaafd is en aldus kwetsbaar heeft de minister onvoldoende meegewogen in de maatregel. Ook is onvoldoende aandacht besteed aan eisers verklaring dat hij wil meewerken aan terugkeer naar Roemenië. Volgens eiser volstaat de minister met slechts een standaardmotivering en is daarom sprake van een motiveringsgebrek.

Over eisers verslaving heeft de minister het volgende in de maatregel overwogen:

“Betrokkene staat in het arrestantenlogging systeem van de Basisvoorziening Handhaving geregistreerd als heroïneverslaafde. Voor zover betrokkene verdere medische zorgverlening nodig heeft, kan gesteld worden dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Nu er sprake is van gelijkwaardige gezondheidszorg maakt dit betrokkene niet detentieongeschikt. In zoverre bezien hoeft hierom niet te worden volstaan met het toepassen van een lichter middel dan de inbewaringstelling. Voor mensen die zich met moeite kunnen handhaven (meestal mensen met psychische problemen) is in de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg aanwezig. Als zorg niet voldoende kan worden gegeven, wordt betrokkene overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. De veiligheid voor het leven en voor de gezondheid van de vreemdeling is hiermee voldoende gewaarborgd.”

Over eisers verklaring dat hij wil meewerken aan zijn uitzetting naar Roemenië heeft de minister vervolgens het volgende overwogen:

“Betrokkene is na uitreiking van zijn beschikking meerdere keren uitgezet naar Roemenië. Daarna is betrokkene ook weer bewust teruggekomen naar Nederland en onrechtmatig in gereisd. Gezien het feit dat betrokkene nu voor de derde maal illegaal wordt aangetroffen in Nederland overtuigt mij niet dat een lichter middel, als bijvoorbeeld via een meldplicht, toereikend is voor terugkeer. Daarom is er gekozen voor de inbewaringstelling. Dit om ervoor te zorgen dat de terugkeer naar Roemenië, zoals bedoeld in de

beschikking, bewerkstelligd gaat worden. Betrokkene verklaart meermaals zo snel als mogelijk terug te willen keren naar Roemenië. In zoverre bezien hoeft hierom niet te worden volstaan met het toepassen van een lichter middel in plaats van inbewaringstelling.”

De rechtbank begrijpt de voorlaatste zin zo dat eisers verklaring dat hij wil meewerken aan terugkeer niet geloofwaardig wordt geacht, omdat eiser dit in het verleden ook zo heeft verklaard, maar hij na zijn gedwongen uitzetting telkens weer snel is teruggekeerd naar Nederland zonder aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf te voldoen. De rechtbank acht die motivering toereikend, evenals de motivering ten aanzien van eisers drugsverslaving en zijn gestelde kwetsbaarheid. Anders dan eiser stelt is ook geen sprake van slechts een standaardmotivering. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van

D.P. van Middelkoop, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.L.C.M. Ficq

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand