RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.47191
(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 17 augustus 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2008, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. Achamlale als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van betrokkene en met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. Deze gronden voor vreemdelingenbewaring zijn aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van eisers identiteit of nationaliteit en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betoogt dat de minister de gronden d, h en r ten onrechte heeft tegengeworpen. De minister heeft ter zitting erkend dat de grond d en r geen stand kunnen houden, grond h handhaaft hij wel.
Voor zover eiser bedoelt de betogen dat de minister ten onrechte concludeert dat het risico bestaat dat hij zal onderduiken, overweegt de rechtbank dat eiser de overige gronden van de maatregel niet heeft betwist en dat de minister deze gronden heeft kunnen tegenwerpen en ook voldoende heeft toegelicht in de maatregel. Deze vier gronden, in onderlinge samenhang bezien, zijn al voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Wat eiser heeft aangevoerd tegen grond h hoeft daarom niet te worden besproken. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiser betoogt verder dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn minderjarigheid. Eiser wijst in dat verband op de door de minister genoemde personalia in de maatregel, waaruit volgens eiser volgt dat de minister er vanuit gaat dat eiser minderjarig is. In een dergelijk geval moet de minister in de maatregel motiveren waarom ondanks de leeftijd van de vreemdeling toch tot bewaring wordt overgegaan. Die motivering ontbreekt volgens eiser in de maatregel.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook niet slaagt. De minister heeft in de maatregel overwogen dat eiser in de asielprocedure is geschouwd door zowel AVIM als de IND, waarbij AVIM heeft geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is en de IND twijfelt over eiser gestelde minderjarigheid. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiser in Spanje een andere naam en geboortedatum heeft opgegeven ( [naam] , geboren [geboortedatum] 1997). Ook heeft de minister in de maatregel erop gewezen dat de rechtbank het door eiser ingestelde beroep in de asielprocedure ongegrond heeft verklaard, hetgeen met zich meebrengt dat de beslissing van de minister van 14 augustus 2026, waarin de door eiser verstrekte identiteitsgegevens ongeloofwaardig zijn geacht, in stand is gebleven. De minister mocht naar het oordeel van de rechtbank volstaan met deze overwegingen, waaruit voldoende duidelijk blijkt dat de minister eiser niet beschouwt als minderjarige. Dat bij het opleggen van de bestreden maatregel de door eiser in Nederland opgegeven personalia zijn vermeld, maakt gelet op voorgaande niet dat het er voor moet worden gehouden dat de minister uitgaat van eisers minderjarigheid.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.