RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseresV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43334
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen [tolk].
Beoordeling door de rechtbank
De asielaanvraag
Bandencriterium
7. Artikel 59, vijfde lid, onder b, sub i, van de Procedureverordening regelt het bandencriterium. Het gaat daarbij om een band tussen de verzoeker en het betrokken derde land op grond waarvan het redelijk is dat hij of zij naar dat land teruggaat.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres een zodanige band met Ethiopië heeft dat van haar kan worden verlangd dat zij zich naar Ethiopië begeeft. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de relevante, individuele omstandigheden heeft betrokken bij de besluitvorming. Verweerder heeft het van belang kunnen achten dat eiseres in de periode van 10 januari 2018 tot 30 mei 2026 in Ethiopië heeft gewoond, aldaar een woning huurde, een kind heeft gekregen, over een geregistreerde vluchtelingenstatus beschikt en een vreemdelingenidentiteitsdocument heeft dat geldig is tot 22 april 2029. Het is in dat geval aan eiseres om deze gestelde banden met Ethiopië te weerleggen. Hierin is eiseres niet geslaagd. Toelatingscriterium
9. Op grond van artikel 38, eerste lid, onder b, van de Procedureverordening kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard indien een land kan worden beschouwd als een veilig derde land voor de verzoeker, tenzij het duidelijk is dat hij niet tot dat land zal worden toegelaten of opnieuw zal worden toegelaten. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) moet verweerder, indien hij tegenwerpt dat een land voor een vreemdeling een veilig derde land is, aannemelijk maken dat die vreemdeling wordt toegelaten tot dat land en moet hij daarvoor aan de hand van informatie uit algemene bronnen, of op basis van de verklaringen van die vreemdeling, redenen aandragen waarom toelating in beginsel mogelijk moet zijn. Het is vervolgens aan de vreemdeling om met tegenbewijs te komen waarmee hij aannemelijk maakt dat de door verweerder geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot dat land in zijn geval niet aanwezig zijn.
10. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres tot Ethiopië zal worden toegelaten en daar kan verblijven, omdat zij een erkende vluchteling is en beschikt over een vluchtelingenkaart die geldig is tot 22 april 2029. Daarnaast beschikt eiseres over een bewijs van inschrijving bij de RRS. Eiseres heeft daarmee rechtmatig verblijf. Uit hetgeen eiseres heeft aangevoerd is niet gebleken dat deze vluchtelingenstatus vanwege haar legale vertrek uit Ethiopië zou zijn ingetrokken. Daarbij heeft verweerder, onder verwijzing naar landeninformatie, voldoende toegelicht dat het vertrek van eiseres uit Ethiopië geen invloed heeft op haar vluchtelingenstatus en dat zij nog altijd rechtmatig verblijf geniet in Ethiopië. Eiseres is er niet in geslaagd om middels tegenbewijs aannemelijk te maken dat hier niet van kan worden uitgegaan. Is Ethiopië voor eiseres een veilig derde land?
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat Ethiopië in algemene zin voor Eritreeërs niet kan worden beschouwd als veilig derde land, maar dat daarop voor wat eiseres betreft een uitzondering kan worden gemaakt. Daartoe heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiseres beschikt over een identiteitskaart voor vluchtelingen en een registratie als vluchteling in Ethiopië, waarmee zij aanspraak kan maken op de daaruit vloeiende rechten. Verder beschikte eiseres over een verblijfplaats, had zij toegang tot onderdak en bescherming, is haar zoon daar geboren en heeft zij hiervan een geboorteakte. Ook voorzag eiseres in levensonderhoud en is niet gebleken dat zij problemen heeft ondervonden gedurende haar verblijf in Ethiopië.
12. Eiseres heeft ook op individuele gronden niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Ethiopië een reëel risico loopt op ernstige schade. De stelling van eiseres dat zij mogelijk door de Ethiopische autoriteiten zal worden teruggestuurd naar Eritrea is niet nader geconcretiseerd. Verweerder heeft onder verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van augustus 2026 voldoende gemotiveerd dat de uitzetting van Eritreeërs uit Ethiopië in de verslagperiode zag op Eritreeërs zonder rechtmatig verblijf, en dat dit voor eiseres daarom niet aan de orde is.
13. Voor zover eiseres aanvoert dat zij niet langer met haar partner samen is en zonder zijn ondersteuning niet langer in haar levensonderhoud kan voorzien, heeft zij dit niet nader onderbouwd. Daarbij heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat, indien eiseres als alleenstaande vrouw terugkeert naar Ethiopië, van haar mag worden verwacht dat zij zich als volwassen vrouw staande kan houden. In dit kader heeft verweerder kunnen betrekken dat mannen en vrouwen in Ethiopië gelijke rechten hebben en dat eiseres anderhalf jaar in Ethiopië heeft gewoond voordat zij haar echtgenoot leerde kennen en ook toen zichzelf staande heeft weten te houden. Ook heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiseres, gelet op de in 2019 inwerking getreden vluchtelingenwet in Ethiopië, het recht heeft om te werken en de mogelijkheid voor eiseres aanwezig is om vrijwillig een fayda-registratie te verkrijgen waarmee zij toegang krijgt tot verschillende diensten in de publieke en private sector. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het verkrijgen van een fayda-registratie in haar geval niet mogelijk is. Daarbij heeft eiseres niet nader gemotiveerd waarom zij als Eritrese vluchteling, ondanks haar jarenlange verblijf in Ethiopië, zal worden uitgesloten van overheidshulp in Ethiopië. Conclusie
13. Verweerder heeft gelet op het voorgaande de asielaanvraag van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 28 augustus 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.