RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.46464
(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),
en
(gemachtigde: mr. D.J. Halbesma).
1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 9 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 23 juli 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Hij heeft daarbij ook verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, mr. A.D. Kupelian als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. Uit de uitspraak van 23 juli 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 17 juli 2026, rechtmatig is.
5. Eiser betoogt dat uit het dossier niet blijkt hoe lang eiser in 2025 in bewaring heeft gezeten en welke betekenis deze periode heeft voor de maximale bewaringstermijn.
Voor zover eiser hiermee bedoelt te betogen dat hij mogelijk langer dan zes maanden in bewaring heeft verbleven zonder dat een verlengingsbesluit is genomen, overweegt de rechtbank dat uit het dossier van het eerste beroep blijkt dat eiser in 2025 op grond van artikel 59b van de Vw in bewaring heeft gezeten. Deze bewaring telt niet mee bij het berekenen van de maximale bewaringsduur als bedoeld in artikel 59, vijfde en zesde lid, van de Vw, omdat het arrest van het Hof van Justitie van 5 maart 2026 in de zaak Aroja immers alleen gaat over perioden van bewaring op grond van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn ter uitvoering van een terugkeerbesluit. Daarvan is in het geval van een bewaring op grond van artikel 59b van de Vw geen sprake.
6. Eiser betoogt verder dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt en dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgronden ook niet slagen. Er zijn geen indicaties dat de Egyptische autoriteiten niet bereid zijn een laissez passer af te geven voor eiser en zijn zaak zal eind augustus/begin september op dossierniveau worden besproken met de Egyptische vertegenwoordiging in Nederland. Het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt dus niet. Dat deze bespreking niet eerder kon worden ingepland omdat de Egyptische vertegenwoordiging in augustus niet aanwezig was valt de minister niet te verwijten en maakt dus niet dat hij onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. In dat verband is ook van belang dat op 11 augustus 2026 een vertrekgesprek is gevoerd met eiser.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.