RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.46818
(gemachtigde: mr. S.L. Sarin),
en
(gemachtigde: mr. D.J. Halbesma).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 15 augustus 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. J.E. Groenenberg, als waarnemer van eisers gemachtigde, M. Abdallah als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
Eiser betoogt dat de minister ten onrechte concludeert dat her risico bestaat dat hij zal onderduiken. Hij betwist in dat verband de tegengeworpen gronden van de maatregel.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. De minister heeft in ieder geval de gronden a, c en h kunnen tegenwerpen. Eiser is zonder geldig reisdocument naar Nederland gereisd en hij heeft zich zonder toestemming bewogen tussen de lidstaten van de Europese Unie, gelet op zijn verklaring dat hij eerst in Italië heeft verbleven. Dat eiser asiel heeft aangevraagd ontslaat hem niet van de plicht om op de voorgeschreven wijze binnen te komen. De minister mag hem dat dus tegenwerpen. Verder blijkt uit het dossier voldoende duidelijk dat eiser niet meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Dat Italië in het verleden onder dezelfde personalia een identiteitskaart zou hebben verstrekt maakt dat niet anders. Daaruit valt immers niet af te leiden dat Italië zijn identiteit en nationaliteit heeft vastgesteld. Bovendien blijkt uit het asielbesluit van 24 juni 2026 dat eiser in Italië diverse aliassen heeft opgegeven. Ook dat mag de minister hem dus tegenwerpen, evenals eisers verklaring dat hij niet wil en kan terugkeren naar Nigeria. Deze drie gronden, in onderlinge samenhang bezien, zijn voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de gronden s en t hoeft daarom niet te worden besproken.
5. Eiser betoogt verder dat de minister ten onrechte geen lichter middel heeft opgelegd en dat hij in de maatregel onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom daarmee niet kon worden volstaan. Eiser staat onder behandeling van een psychiater en in vrijheid is die behandeling beter te realiseren. Dit is door de minister onvoldoende meegewogen. Ook heeft de minister in de maatregel onvoldoende aandacht besteed aan de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 13 augustus 2026.
In de uitspraak van 13 augustus 2026 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard voorzover dat ziet op het uitstel van vertrek, eiser opgedragen binnen acht weken te reageren op het BMA-advies van 28 mei 2026 en de minister opgedragen om binnen vier weken na ontvangst van de reactie van eiser een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het beroep is ongegrond verklaard voor zover dat ziet op de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in de maatregel voldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. De minister heeft overwogen dat in het detentiecentrum gespecialiseerde zorg aanwezig is en dat eiser kan worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling als de zorg in het detentiecentrum onvoldoende blijkt te zijn. Ook heeft de minister overwogen dat de uitspraak van
13 augustus 2026 niet maakt dat eiser niet kan worden uitgezet, maar dat slechts sprake is van uitstel van vertrek. Vervolgens overweegt de minister dat eiser meerdere keren heeft verklaard absoluut niet te willen meewerken aan vertrek naar Nigeria en dat de kans dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken indien hem een meldplicht wordt opgelegd te groot is. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen volstaan met deze motivering en dat hij geen lichter middel heeft hoeven opleggen. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser betoogt verder dat uit de maatregel niet blijkt dat de minister het reële risico op een schending van het beginsel van non-refoulement heeft beoordeeld. Eiser wijst dan met name op zijn medische problematiek.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook niet slaagt. In de maatregel heeft de minister overwogen dat uit het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 28 mei 2026 volgt dat eiser ook in Nigeria toegang heeft
tot de medicatie die nodig is voor zijn behandeling. Verder heeft de minister overwogen dat het feit dat eiser en zijn gemachtigde nog niet hebben kunnen reageren op dit advies van het BMA niet betekent dat er geen sprake kan zijn van verwijdering, maar dat wel sprake is van uitstel van verwijdering zolang er nog niet is beslist op de reactie van betrokkene en zijn gemachtigde op dit advies. De minister kon met die motivering volstaan.
7. Eiser betoogt ten slotte dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt, omdat hij niet kan worden uitgezet gedurende de reactietermijnen, zoals bepaald in de uitspraak van 13 augustus 2026. De minister heeft daarover bovendien tegenstrijdige overwegingen opgenomen in de maatregel.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond evenmin slaagt. Zoals door de minister overwogen in de maatregel (zie ook 6.1) is eiser verwijderbaar, maar wordt zijn vertrek uitgesteld omdat hij nog mag reageren op het BMA-advies en de minister vervolgens een nieuw besluit dient te nemen. Er is dus sprake van een tijdelijke belemmering om eiser uit te zetten, maar dat betekent niet dat eiser niet binnen een redelijke termijn kan worden uitgezet. Ook anderszins ziet de rechtbank daarvoor geen indicaties.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.