ECLI:NL:RBDHA:2026:24925

ECLI:NL:RBDHA:2026:24925

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer NL26.47664
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Bewaring art. 59a Vw. Onderduikrisico mag worden aangenomen, gestandaardiseerde motivering in de maatregel maakt niet dat sprake is van motiveringsgebrek. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.47664

(gemachtigde: mr. T. Esen),

en

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 19 augustus 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en sprake is van een onderduikrisico.

In de maatregel heeft de minister als gronden voor het bestaan van een onderduikrisico vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel-en migratiebeheerverordening na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel-en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

Eiser betoogt dat de minister in de maatregel onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom in zijn specifieke geval het risico bestaat dat hij zal onderduiken. Eiser wijst in dat verband op het feit dat hij meerdere keren heeft verklaard te willen meewerken aan zijn overdracht aan Spanje. Ook inhoudelijk betwist eiser bovengenoemde gronden.

De minister heeft ter zitting erkend dat de grond t ten onrechte is tegengeworpen. Hij handhaaft de overige gronden van de maatregel.

De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. Eiser kan niet aantonen dat hij op de voorgeschreven wijze naar Nederland is gereisd en verklaart wisselend over het tijdstip van zijn binnenkomst. Eiser reist ook zonder toestemming door de lidstaten van de Europese Unie, beschikt niet over voldoende middelen van bestaan en doet geen moeite om aan geldig identiteitsdocument te komen. Ook heeft eiser niet gemeld bij de minister dat hij strafrechtelijk gedetineerd zat. De minister heeft de gronden a, c, p en s daarom kunnen tegenwerpen en heeft deze gronden ook voldoende toegelicht in de maatregel. Deze vier gronden, in onderlinge samenhang bezien, zijn voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Dat eiser in een asielzoekerscentrum verblijft en heeft verklaard te willen meewerken leidt, gelet op voorgaande, niet tot een ander oordeel.

5. Eiser betoogt verder dat de minister in de maatregel onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. Een standaardmotivering met enkel een verwijzing naar de gronden van de maatregel volstaat in dat verband niet, aldus eiser.

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook niet slaagt. Over het lichtere middel heeft de minister in de maatregel het volgende overwogen:

“Daarbij is afgewogen of op de vreemdeling een afdoende minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te passen. Gezien de bovenstaande gronden en motiveringen is vervolgens overwogen dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake (meer) is. Door

de vreemdeling is ook niet overtuigend gesteld dat een dergelijke maatregel voor de daadwerkelijke effectuering van diens vertrek kan volstaan. Door de vreemdeling zijn geen omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen (of voortzetten) van een minder dwingende maatregel.”

Anders dan eiser stelt heeft de minister niet enkel verwezen naar de gronden van de maatregel, maar heeft hij ook gemotiveerd dat eiser zelf geen bijzondere, individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht. De minister kon volstaan met deze motivering. Dat eiser heeft verklaard te willen meewerken is, gelet op het feit dat hij eerder is ondergedoken, niet een omstandigheid waaraan de minister een specifieke overweging had moeten wijden. Dat de minister gebruik heeft gemaakt van een gestandaardiseerde reactie leidt daarom in dit geval niet tot een ander oordeel.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van

D.P. van Middelkoop, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.L.C.M. Ficq

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand