RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] ,, eiser en [eiseres] , eiseres,
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/1459
hierna tezamen: eisers
V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2]
(gemachtigde: mr. J. Luscuere),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).
Procesverloop
Bij besluiten van 25 mei 2023 (primaire besluiten) zijn de aanvragen van eisers om verlenging van hun verblijfsvergunningen afgewezen.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.
Bij besluit van 4 januari 2024 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij hebben de voorzieningenrechter van de rechtbank tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (AWB 24/1460).
Verweerder heeft op 13 juni 2025 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] en bezit de Iraanse nationaliteit. Hij is van 13 januari 2020 tot 13 januari 2021 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘innovatieve start-up’. Met ingang van 9 december 2020 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ welke geldig was tot 9 december 2022. Op 4 januari 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor verlenging van zijn verblijfsvergunning.
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 2] en bezit eveneens de Iraanse nationaliteit. Zij beschikte over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van 13 januari 2020 tot 9 december 2022 met het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [eiser] ’. Hiermee is het verblijfsrecht van eiseres afhankelijk van het verblijfsrecht van haar man. Op 5 januari 2023 heeft eiseres in navolging van eiser een verlengingsaanvraag ingediend.
Besluitvorming
3. Bij het primaire besluit van 25 mei 2023 heeft verweerder de verlengingsaanvraag van eiser afgewezen. Daar heeft verweerder het navolgende aan ten grondslag gelegd. Eiser heeft in 2020 een onderneming genaamd ‘ [bedrijf 1] ’ opgericht. Op grond van artikel 3.30, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is als voorwaarde aan de verstrekte verblijfsvergunning in dit kader verbonden dat eiser duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan moet beschikken. Het normbedrag bedraagt hierbij € 1.462,41. Uit de door eiser overgelegde stukken ter onderbouwing van zijn verlengingsaanvraag blijkt dat eiser van 14 mei 2020 tot 31 december 2021 met zijn onderneming [bedrijf 1] € 3.142,- winst heeft gemaakt. Van 1 januari 2022 tot 28 december 2022 was de winst € 368,-. Gelet hierop heeft verweerder geconcludeerd dat eiser niet duurzaam voldoende middelen van bestaan met zijn onderneming heeft gegenereerd. Gelet op de afwijzing van de verlengingsaanvraag van eiser heeft verweerder bij afzonderlijk primair besluit van dezelfde datum ook de verlengingsaanvraag van eiseres afgewezen.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en daarmee de afwijzing van de verlengingsaanvragen van eisers gehandhaafd.
Middelen van bestaan
5. Eisers betogen dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet beschikt over voldoende, zelfstandige en duurzame middelen van bestaan. Verweerder heeft hierbij namelijk ten onrechte niet de inkomsten betrokken uit zijn nieuwe onderneming, aldus eiser. Deze inkomsten voldoen wel aan het gestelde normbedrag. Hij is toegelaten met als verblijfsdoel arbeid als zelfstandig ondernemer. Er bestaat volgens eiser geen rechtsregel die voorschrijft dat hij dan geen nieuwe onderneming mag oprichten en evenmin dat hij hiervoor dan een nieuwe aanvraag moet indienen.
De rechtbank stelt voorop dat een aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder meer kan worden afgewezen op grond van artikel 18, eerste lid, onder f, van de Vw indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend. In artikel 3.30 van het Vb is de beperking voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ uitgewerkt:
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan onder een beperking, verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan de vreemdeling die:
arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van Onze Minister een wezenlijk Nederlands belang is gediend;
uit die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft, en
voldoet aan de bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van die arbeid en aan de vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf.
Ingevolge artikel 3.74, eerste lid, van het Vb zijn - kort gezegd - de middelen van bestaan in ieder geval voldoende als de bruto-winst uit arbeid als zelfstandige tenminste gelijk is aan het minimumloon, bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, onder b, en 14, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet. Niet in geschil is dat dit ten tijde van belang € 1.462,41 (per maand) was.
Door eiser wordt niet betwist dat zijn inkomsten met zijn werkzaamheden uit [bedrijf 1] onder dit normbedrag liggen. Uit de door eiser overgelegde documenten volgt namelijk dat hij van 12 mei 2020 tot 31 december 2021 een winst heeft gemaakt van € 3.142,- en dat hij van januari 2022 tot 28 december 2022 een winst van € 368,- heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich gelet hierop terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat hij uit zijn werkzaamheden als zelfstandige voldoende middelen van bestaan verwerft en dat dus niet wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden in artikel 3.30, eerste lid, van het Vb.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder ten onrechte niet de middelen verworven uit zijn nieuwe onderneming ‘ [bedrijf 2] ’ heeft betrokken bij de beoordeling van zijn verlengingsaanvraag. Aan eiser is namelijk een verblijfsvergunning verleend voor bepaalde tijd voor het doel arbeid als zelfstandige op grond van zijn onderneming [bedrijf 1] Uit het enkele gegeven dat eiser met een andere nieuwe onderneming inkomsten verwerft kan immers niet worden afgeleid of nog steeds wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. Voor de verlening van een verblijfsvergunning voor de beperking arbeid als zelfstandige op grond van artikel 3.30, eerste lid, van het Vb is namelijk onder meer vereist dat de arbeid een wezenlijk Nederlands belang dient. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van een puntenstelsel neergelegd in bijlage 8a bij artikel 3.20a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Vv). Niet is vastgesteld of in het geval van [bedrijf 2] een wezenlijk Nederlands belang is gediend. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de inkomsten van eiser uit deze onderneming niet kunnen worden betrokken bij de verlengingsaanvraag en dat eiser dus een nieuwe aanvraag moet indienen. Uit de tekst van artikel 3.30, eerste lid, van het Vb blijkt immers dat enkel inkomsten die voortkomen uit de onderneming waarmee een wezenlijk Nederlandse belang wordt gediend (in het onderhavige geval [bedrijf 1] ), dienen te worden betrokken bij de vraag of duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan door eiser worden verworven.
De stelling van eiser dat er op zijn verblijfspas als beperking uitsluitend staat vermeld ‘arbeid als zelfstandige’ en geen specifieke onderneming staat vermeld, zodat het niet uitmaakt dat eiser nu arbeid als zelfstandige verricht bij een onderneming met een andere naam, doet niet af aan bovenstaande. Omdat eiser niet meer voldeed aan de beperking, heeft verweerder de verlengingsaanvraag kunnen afwijzen. De hiertoe aangedragen beroepsgrond kan dus niet slagen. Het voorgaande betekent dat eiser een nieuwe aanvraag zal moeten indienen, mocht hij een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel arbeid als zelfstandige willen verkrijgen op grond van de onderneming [bedrijf 2] .
Hoorplicht
6. Eisers betogen verder dat verweerder in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden.
Verweerder mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen in bezwaar afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1918).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit en dus dat er sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar. Verweerder stelt terecht dat in het primaire besluit uitgebreid is gemotiveerd waarom eisers niet aan de gestelde voorwaarden voor verlenging van hun verblijfsvergunningen voldoen. Hetgeen eiser in bezwaar naar voren heeft gebracht over zijn inkomsten uit zijn nieuwe onderneming had niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Verweerder heeft gezien het voorgaande van het horen van eisers kunnen afzien. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
Conclusies en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Het bestreden besluit blijft in stand.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Osborne, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.