RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.4252
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. Singh)
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Bij besluit van 23 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2004 en de Indiase nationaliteit te hebben.
Rechtmatigheid van de staandehouding
2. Eiser voert aan dat de staandehouding op onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden, omdat de arbeidsinspectie ten onrechte heeft vastgesteld dat eiser aan het werk was in het restaurant van een vriend van hem.
3. De rechtbank stelt vast dat uit het rapport van bevindingen van 26 januari 2026 blijkt dat arbeidsinspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie, vergezeld door ambtenaren van de Nationale politie Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) en de gemeente Haarlem, een controle hebben uitgevoerd op de locatie gelegen aan [adres] te [plaats] in het kader van toezicht op de naleving van voorschriften, gesteld bij en/of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen. Bij die controle is eiser aangetroffen. Na onderzoek door de arbeidsinspectie is eiser overgedragen aan de AVIM. Uit het proces-verbaal van staandehouding blijkt vervolgens dat eisers staandehouding heeft plaatsgevonden op basis van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Daarnaast is het niet aan de bewaringsrechter om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden, zodat een verdere onderzoek naar de bevindingen van de arbeidsinspectie geen plaats heeft in deze procedure.
Grondslag van de maatregel
4. Eiser voert aan dat verweerder niet verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag, omdat de Dublinverordening van toepassing is. Italië heeft namelijk eerder een visum aan eiser afgegeven, zodat verweerder eiser had moeten claimen bij de Italiaanse autoriteiten. Verder heeft eiser mogelijk procedureel rechtmatig verblijf in Spanje, omdat hij aldaar een periode heeft verbleven en gewerkt.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend en in het dossier geen indicaties aanwezig zijn dat de Dublinverordening van toepassing is. Indien eiser meent dat de Italiaanse autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de behandeling van zijn asielaanvraag, ligt het op zijn weg om dit in zijn asielaanvraag naar voren te brengen. Verder is niet onderbouwd dat eiser procedureel rechtmatig verblijf heeft in Spanje. Daarnaast kan procedureel rechtmatig verblijf niet worden aangemerkt als een geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf in de zin van artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Verweerder heeft de maatregel van bewaring dan ook terecht gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.
Maatregel van bewaring
6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Als zware gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
En als lichte gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
7. Eiser betwist alle zware gronden en de lichte grond 4f. Hiertoe voert hij aan dat hij het Schengengebied rechtmatig is ingereisd met een door Italië afgegeven visum. Verder is niet gebleken van een risico op onttrekking aan het toezicht. Eiser heeft enkel aangegeven dat zijn asielaanvraag dient te worden behandeld door Italië, omdat Italië daar op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk voor is. Eiser heeft daarnaast mogelijk procedureel rechtmatig verblijf in Spanje, omdat hij daar een tijdje heeft verbleven en gewerkt. Tot slot heeft hij geen arbeid verricht in Nederland en was slechts kort aanwezig in het restaurant van een goede vriend van hem, waarbij hij geen werkzaamheden heeft verricht.
8. Verweerder heeft ter zitting de zware grond 3i laten vallen.
9. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat verweerder bij – onder meer de zware gronden 3a en 3b – kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3a en 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Het door de Italiaanse autoriteiten afgegeven visum is inmiddels verlopen. Het is niet gebleken dat hij een nieuw visum heeft verkregen waarmee hij Nederland mocht inreizen. Verder heeft hij geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf in Nederland. Deze zware gronden zijn dan ook feitelijk juist en kunnen de maatregel van bewaring dragen. De overige gronden behoeven daarom geen verdere bespreking.
Lichter middel
10. Voor zover eiser heeft willen aanvoeren dat verweerder had kunnen volstaan met
het opleggen van een lichter middel, omdat hij voor het eerst als vreemdeling in Nederland is aangetroffen en op grond van de Terugkeerrichtlijn de gelegenheid had moeten krijgen Nederland dan wel de Europese Unie te verlaten, volgt de rechtbank hem daarin niet. Verweerder heeft, gelet op de gronden, voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het genoemde onttrekkingsrisico te ondervangen. Ook is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
Ambtshalve toets
11. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 11 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in
aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van
geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.