RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41164
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
(gemachtigde: mr. S. Maas).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het besluit tot verlenging van de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring.
De maatregel is opgelegd op 19 januari 2026. Bij besluit van 17 juli 2026 (het verlengingsbesluit) heeft de minister de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.
De minister heeft de rechtbank in kennis gesteld van het verlengingsbesluit door middel van een kennisgeving. Daarmee wordt eiser geacht tegen het verlengingsbesluit beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F. Selmi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Gelet op artikel 94, zevende lid, eerste volzin, van de Vw geldt hetzelfde voor het verlengingsbesluit.
De minister moet in het verlengingsbesluit nagaan of is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onevenredig bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. Als dit voldoende gemotiveerd is, wordt voldaan aan alle uit de Terugkeerrichtlijn en het arrest Mahdi voortvloeiende vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit.
Is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging?
3. Op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw geldt dat de maatregel van bewaring na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen ontbreekt.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen geldig document heeft voor grensoverschrijding. Dit heeft eiser ook niet betwist. Daarnaast heeft de minister voldoende toegelicht dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting. Hierbij heeft de minister onder meer in aanmerking mogen nemen dat eiser in de vertrekgesprekken van 24 maart 2026, 21 april 2026 en 18 mei 2026 heeft verklaard dat hij niks heeft gedaan om zijn nationaliteit en/of identiteit te kunnen aantonen. De minister heeft voorgesteld contact op te nemen met de Tunesische autoriteiten of de broer en oma van eiser, maar eiser weigert dit te doen. Bovendien heeft eiser in het vertrekgesprek van 15 juni 2026 verklaard dat hij niks heeft ondernomen om zijn vertrek te bespoedigen en dat hij nog steeds niet wil terugkeren naar zijn land van herkomst.
Verder spant de minister zich voldoende in om het vertrek van eiser te bewerkstelligen. Er wordt elke drie weken schriftelijk gerappelleerd bij de autoriteiten van Algerije en er worden ook op regelmatige basis vertrekgesprekken met eiser gevoerd.
Er is dan ook voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de maatregel van bewaring.
Kunnen de gronden het besluit tot verlenging van de bewaringstermijn dragen?
4. In het verlengingsbesluit staat dat eiser op 19 januari 2026 in bewaring is gesteld omdat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en/of omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Vervolgens staat in het verlengingsbesluit dat de volgende gronden voor bewaring uit artikel 5.1b van het Vreemdelingenbesluit ten grondslag liggen aan het besluit tot verlenging van de bewaringstermijn:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De rechtbank stelt vast dat de gronden niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn. Uit deze gronden vloeit voort dat nog steeds een risico op onttrekking bestaat, zodat deze gronden het verlengingsbesluit kunnen dragen.
Is er een redelijk vooruitzicht op verwijdering?
5. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is, omdat een reactie van de Algerijnse autoriteiten uitblijft.
De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt en wijst hierbij op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 mei 2024 en 15 juli 2024. Dat nog geen reactie is ontvangen op de aanvraag om een laissez passer (lp) en nog geen presentatie bij de Algerijnse autoriteiten heeft plaatsgevonden, rechtvaardigt niet de conclusie dat geen zicht op uitzetting bestaat. De rechtbank betrekt hierbij dat een lp-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten in het algemeen de nodige tijd in beslag neemt, zeker wanneer de vreemdeling, zoals in dit geval, geen documenten ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit heeft overgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser stelt hierbij dat de algemene rappelbrieven niet volstaan en dat de minister op zaakniveau moet rappelleren. Eiser beroept zich daarnaast op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 8 januari 2025. In die zaak werd een zogenoemde identificatiemissie ingeschakeld, waarbij de minister opschaalde naar de hoogste autoriteit in Gambia, wat heeft geresulteerd in een nationaliteitsbevestiging. Volgens eiser had de minister deze opschaling ook in deze zaak kunnen toepassen.
Het is volgens vaste jurisprudentie aan de minister om te bepalen welke handelingen hij noodzakelijk acht om uitzetting op zo kort mogelijke termijn te bewerkstelligen. Daarbij is het aan de minister om te bepalen of het zinvol is om een lp-aanvraag onder de speciale aandacht van de autoriteiten te brengen, waarbij ook rekening moet worden gehouden met het feit dat de minister afhankelijk is van de door de betreffende autoriteiten voorgestane werkwijze met betrekking tot de afgifte van lp’s.
Er is geen grond voor het oordeel dat de minister in dit geval niet mocht volstaan met de algemene rappelbrieven. Verder kan de uitspraak van 8 januari 2025 eiser niet baten.
De minister heeft ter zitting voldoende toegelicht dat de situatie van eiser anders is dan de situatie die in de uitspraak van 8 januari 2025 aan de orde was. De minister heeft in dit verband naar voren gebracht dat een identificatiemissie alleen wordt ingeschakeld als er zo weinig lp’s worden afgegeven, dat er vanuit DT&V handelingen moeten worden verricht om de samenwerking met het betreffende land goed te krijgen. Volgens de minister werkt Algerije voldoende mee, waardoor dit in het geval van Algerije dus niet aan de orde is. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
6 augustus 2026
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.