RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41591
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
(gemachtigde: mr. S. Maas).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 23 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. De minister heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. W. Blaauw als waarnemer van de gemachtigde van eiser, K. Lazar als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De rechtbank stelt vast dat eiser alleen de a-grond en de b-grond heeft bestreden. Weliswaar betwist eiser het tegenwerpen van de a-grond en de b-grond, maar de niet-bestreden gronden zijn naar het oordeel van de rechtbank feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd om een onderduikrisico aan te nemen, en kunnen daarmee de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor bespreking van de a-grond en de b-grond.
Niet-tijdige omzetting van de maatregel
5. Eiser stelt dat de grondslag van de bewaringsmaatregel niet op tijd is omgezet. Hij voert hiertoe aan dat hij op 28 juli 2026 in de ochtend zijn asielaanvraag heeft ingetrokken, dat vervolgens binnen 48 uur omzetting van de maatregel had moeten plaatsvinden en dat dit niet is gebeurd. De maatregel duurt daarom onrechtmatig voort en dient te worden opgeheven.
Anders dan eiser aanvoert, hoefde de minister de maatregel niet binnen 48 uur na het intrekken van de asielaanvraag om te zetten. Na het intrekken van de asielaanvraag mocht eiser nog twee nachten op grond van de ‘oude’ maatregel in bewaring blijven. Nu eiser de asielaanvraag op 28 juli 2026 heeft ingetrokken, moest de maatregel dus uiterlijk op 30 juli 2026 (einde van de dag) zijn omgezet. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 30 juli 2026 gesloten en op dat moment was de (oude) maatregel van bewaring dus nog rechtmatig. Het ter zitting gevoerde debat over het mogelijk niet tijdig kunnen omzetten van de maatregel, maakt dat niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldaan aan zijn informatieplicht?
6. Voor zover eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan de informatieplicht zoals neergelegd in artikel 5.10, eerste lid, van het Vb, volgt de rechtbank dit niet. In het dossier bevindt zich immers een Arabische vertaling van de informatiefolder ‘Waarom u in bewaring bent gesteld’. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten dat deze folder niet aan eiser zou zijn uitgereikt. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser direct voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring en in het bijzijn van een tolk in de Arabische taal is medegedeeld op welke gronden de maatregel zal worden opgelegd. Dit blijkt uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring. Ook is aan eiser meegedeeld dat hij recht heeft op consulaire bijstand en heeft hij gebruik gemaakt van rechtsbijstand. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om hierin een gebrek te constateren. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
6 augustus 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.