RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43092
(gemachtigde: mr. L. Sinoo),
en
(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 29 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, Z. Gharbaoui als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
h. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft bestreden. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat sprake is van een onderduikrisico en kunnen daarom de maatregel van bewaring dragen.
Inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser
5. Eiser voert aan dat de minister niet heeft voldaan aan de op hem rustende inspanningsverplichting om tijdens zijn strafrechtelijke detentie al inspanningen te verrichten om aan de uitzetting van eiser te werken. Volgens eiser heeft de minister niet aangegeven waarom de tijd onbenut is gebleven om te werken aan de uitzetting van eiser tijdens zijn strafrechtelijke detentie. De einddatum voor zijn strafrechtelijke detentie was al op 3 juli 2026 bekend voor de minister. Eiser verwijst in dit verband naar paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 14 mei 2025. In dit soort zaken valt een belangenafweging in het voordeel van de vreemdeling uit volgens eiser.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de minister een inspanningsverplichting heeft om zoveel mogelijk te voorkomen dat een vreemdeling direct na afloop van zijn strafrechtelijke detentie in bewaring wordt gesteld. In dit verband overweegt de rechtbank dat volgens paragraaf A5/6.12 van de Vc op de minister een inspanningsverplichting rust om vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie zoveel mogelijk te beperken. Op 3 juli 2026 is eiser veroordeeld tot strafrechtelijke detentie tot en met 29 juli 2026. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser 26 dagen in strafrechtelijke detentie heeft verbleven. Uit het dossier volgt dat op 30 juni 2026 het M122-formulier is uitgereikt. Eiser werd daarmee door de vreemdelingenpolitie op de hoogte gebracht dat hij na strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring wordt gesteld. Ter zitting heeft de minister erkend dat tijdens eisers strafrechtelijke detentie geen uitzettingshandelingen zijn verricht en stelt hij zich op het standpunt dat een belangenafweging in het voordeel van de minister dient uit te vallen.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling maakt dit gebrek de inbewaringstelling pas onrechtmatig, als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een schending van de inspanningsverplichting maar weegt het belang van eiser bij de opheffing van de maatregel om deze reden, niet op tegen het belang van de minister om eiser in afwachting van zijn uitzetting in vreemdelingenbewaring te houden. De rechtbank overweegt daartoe dat de gronden van de maatregel de maatregel kunnen dragen. Daaruit volgt dat de minister zich op het standpunt kon stellen dat er sprake is van een onderduikrisico. Voorts is daarbij van belang dat eiser eerder op 15 juni 2026 met onbekende bestemming is vertrokken, dat eiser na het besluit van 17 juni 2026 inhoudende de afwijzing van zijn asielaanvraag onrechtmatig verblijf had in Nederland en hem een tevens op 17 juni 2026 een terugkeerbesluit is opgelegd waar hij geen gevolg aan heeft gegeven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voor de minister met de bewaring gediende belangen in dit geval zwaarder wegen dan de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen van eiser. De belangenafweging valt in dit geval dus in het voordeel van de minister uit. De rechtbank ziet in de door eiser genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, geen aanleiding voor een ander oordeel, gelet op de bovenstaande vaste jurisprudentie van de Afdeling.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. De rechtbank ziet aanleiding om de minister te veroordelen tot betaling van de door eiser gemaakte proceskosten van dit beroep vanwege de schending van de inspanningsverplichting als hiervoor geoordeeld onder 5. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.