ECLI:NL:RBDHA:2026:24957

ECLI:NL:RBDHA:2026:24957

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer NL26.43283
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Eerste beroep bewaring - 59b - geen lichter middel - beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.43283

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),

en

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 30 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Biada als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling. Ook is vreemdelingenbewaring noodzakelijk met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. Deze gronden voor vreemdelingenbewaring zijn aanwezig, als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is of als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen. Bij beide gronden voor vreemdelingenbewaring dienen zich ook ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voor te doen.

De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser, en met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

De rechtbank stelt vast dat eiser de a-grond, de b-grond en de c-grond heeft bestreden. De rechtbank overweegt dat verweerder grond a aan de maatregel ten grondslag mocht leggen. Deze grond is feitelijk juist omdat eiser niet in bezit is van de vereiste reisdocumenten. Dat eiser asiel heeft aangevraagd doet er niet aan af dat deze grond feitelijk juist is. Ook stelt de rechtbank vast dat eiser de gronden p, r en s niet heeft bestreden. Deze gronden zijn ook feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. De gronden a, p, r, en s kunnen de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen. Hieruit volgt het risico op onderduiken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor bespreking van hetgeen eiser tegen de b-grond en c-grond heeft aangevoerd.Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?

5. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Eiser heeft op 5 augustus 2026 zijn asielgehoor gehad. Volgens eiser had volstaan kunnen worden met plaatsing in een asielzoekerscentrum, aangezien er vanuit het asielzoekerscentrum andere manieren zijn om controle uit te oefenen op hem.

De minister stelt zich op het standpunt dat niet valt in te zien hoe met een lichter middel dan de inbewaringstelling had kunnen worden volstaan om eiser beschikbaar te houden voor de asielprocedure. De minister voert hiertoe aan dat eiser zich eerder niet heeft gehouden aan toezichtsmaatregelen door zich onzichtbaar en onbereikbaar te houden voor de Nederlandse autoriteiten dan wel met onbekende bestemming te vertrekken.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. De rechtbank wijst op hetgeen hiervoor onder 4.2. is overwogen betreffende de gronden van de maatregelen en het risico op onderduiken. Bovendien is eiser tijdens een eerdere asielprocedure in Nederland op 2 juni 2026 met onbekende bestemming vertrokken. . Ten slotte is gesteld noch gebleken dat sprake is van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om een lichter middel toe te passen. De omstandigheid dat eiser in verband met zijn asielaanvraag al gehoord is, maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatigs was.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

11 augustus 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.G.M. van Veen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand