RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.4251
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. Singh)
en
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 25 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft desgevraagd ingestemd met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 28 januari 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier dezelfde dag op gereageerd. De rechtbank heeft op 4 februari 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1990 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Als zware gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
En als lichte gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
3. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen ongemotiveerd betwist. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht, zodat deze aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd. Deze zware gronden kunnen de maatregel zelfstandig dragen.
Lichter middel
4. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij kampt met gezondheidsklachten. Daarnaast weigert hij niet om informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de beoordeling van zijn asielaanvraag.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd voldoende zijn om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarnaast is hij eerder meermaals met onbekende bestemming vertrokken. Verder heeft verweerder bij de belangenafweging terecht overwogen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Ook is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is.
Zicht op uitzetting - Voortvarend handelen
6. Verder voert eiser aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije ontbreekt, omdat hij niet beschikt over reis- of identiteitsdocumenten. Daarnaast wordt niet met de vereiste voortvarendheid gewerkt aan de afronding van zijn asielprocedure.
7. De rechtbank overweegt het volgende. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw. Verder volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als maximale termijn waarbinnen verweerder voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat de vreemdeling voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. Nu die termijn nog niet is verstreken, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om te oordelen dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt om tot afronding van zijn asielaanvraag te komen.
Ambtshalve toets
8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 11 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.