ECLI:NL:RBDHA:2026:24960

ECLI:NL:RBDHA:2026:24960

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer NL26.44591
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Eerste beroep bewaring - 59a Vw - geen lichter middel - beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.44591

(gemachtigde: mr. G. Ocak),

en

(gemachtigde: mr. C.J. Orthmann).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 5 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, Z. Gharbaoui als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

De rechtbank stelt vast dat eiser alleen de e-grond heeft bestreden. De minister heeft ter zitting de e-grond laten vallen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de resterende en niet-bestreden gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd om een onderduikrisico aan te nemen, en kunnen daarmee de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen.

Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?

5. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij aangeeft bereid te zijn tot medewerking. Eiser stelt dat hij steeds heeft aangegeven naar [plaats] te willen gaan om vanuit daar naar Spanje te vertrekken. Volgens eiser zijn er ook bijzondere omstandigheden zoals drugs en verslavingen, psychische problemen en zou eiser een poging tot zelfdoding hebben gedaan. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij niet stelt dat hij detentieongeschikt is vanwege psychische problematiek, maar dat langs deze omstandigheden het afzien van een lichter middel onvoldoende is gemotiveerd en dat zijn suïcidedreiging hoort mee te wegen in de beoordeling van een lichter middel.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat in dit geval geen andere afdoende, maar dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat eiser heeft verklaard niet mee te willen werken aan een overdracht aan de Spaanse autoriteiten. De rechtbank volgt de minister in diens onweersproken betoog op zitting dat dit ook blijkt uit de daden van eiser, aangezien eiser meerdere malen niet op vertrekgesprekken verschijnt en hij op 27 juli 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat in de maatregel van vreemdelingenbewaring is opgenomen dat tijdens het gehoor voor de inbewaringstelling eiser heeft verklaard dat hij zelfmoord pleegt als hij wordt opgesloten. Naar aanleiding hiervan is in de maatregel opgenomen dat in het detentiecentrum observatiecellen zijn, welke 24 uur per dag en zeven dagen per week worden bewaakt waardoor de veiligheid voor het leven en voor de gezondheid van eiser voldoende is gewaarborgd. Verder is niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend zouden maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om een lichter middel toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

18 augustus 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.E.A. Braeken

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand