RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer 1], eiseresmede namens haar minderjarige kind
de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.25902
[minderjarige], V-nummer: [V-nummer 2]
(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),
en
(gemachtigde: mr. K. Kana).
Procesverloop
Bij besluiten van 14 december 2023 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvraag van eiseres en van haar dochter tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 17 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (referent), de gemachtigde van eiseres, Z. Hamidi als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Eiseres heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]. Op 4 december 2023 heeft zij een aanvraag tot het verlenen van een visum voor kort verblijf, met als doel familiebezoek, voor haar en haar dochter ingediend.
Bij de primaire besluiten heeft verweerder de aanvragen van eiseres en haar dochter afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en omdat niet is aangetoond dat eiseres over voldoende middelen van bestaan beschikt, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of verblijf, of voor doorreis naar een derde land waar zij met zekerheid zal worden toegelaten.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn is ingediend en eiseres geen reden voor de termijnoverschrijding heeft gegeven.
Eiseres voert in beroep aan dat de besluiten van 14 december 2023 pas op 5 januari 2024 aan haar bekend zijn gemaakt en dat zij op 11 januari 2024 zelf bezwaar heeft ingediend bij de ambassade van Nederland. Eiseres stelt dat dit blijkt uit de daarbij gevoegde bewijsstukken. Verweerder heeft geen ambtshalve onderzoek gedaan naar de datum van bekendmaking, noch aangegeven dat er een bezwaarschrift op of rond 11 januari 2024 is ontvangen. Bij de indiening van het tweede bezwaarschrift op 24 januari 2024 waren deze bewijsstukken nog niet voorhanden bij referent en de gemachtigde. Volgens eiseres is er geen sprake van termijnoverschrijding.
Eiseres voert pas in beroep aan dat de afwijzing van de visumaanvragen op 5 januari 2024 aan haar bekend is gemaakt en zij op 11 januari 2024 een bezwaarschrift heeft ingediend bij de ambassade. Zij heeft in bezwaar niet aangevoerd dat zij de afwijzing van de visumaanvragen pas op 5 januari 2024 zou hebben ontvangen. In het bezwaarschrift van 24 januari 2024 staat dat de datum van bekendmaking van de besluiten 14 december 2023 is. Dit komt overeen met de informatie in de detailgegevens van de visumaanvragen waarin staat dat de status geautoriseerd op 14 december 2023 om 17:08 uur is overgegaan in uitgereikt. Bij brief van 13 mei 2024 heeft verweerder eiseres de gelegenheid gegeven om binnen drie weken aan te geven waardoor de termijnoverschrijding is veroorzaakt. Eiseres heeft op die brief gereageerd met inhoudelijke gronden tegen de afwijzing van de visumaanvragen en is niet ingegaan op de vraag van verweerder waarom het bezwaar te laat is ingediend. Het is niet aan verweerder om ambtshalve na te gaan of de besluiten op de visumaanvragen op een later moment zijn uitgereikt dan in het bezwaarschrift is vermeld. Het komt voor rekening en risico van eiseres dat in de reactie op de brief van 13 mei 2024 geen antwoord is gegeven op de vraag van verweerder waardoor de termijnoverschrijding is veroorzaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bezwaar van eiseres dan ook terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
De door eiseres in beroep overgelegde foto’s van niet vertaalde documenten met stempels waarop de datum 5 januari 2024 en de datum 11 januari 2024 is te zien zijn overigens onvoldoende om aan te tonen dat de primaire besluiten op 5 januari 2024 aan eiseres zijn uitgereikt en zij op 11 januari 2024 een bezwaarschrift heeft ingediend.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.