RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.44635
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
(gemachtigde: mr. C.J. Orthmann).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 5 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, W. Woning als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
Is er sprake van een gebrek in de maatregel van vreemdelingenbewaring?
4. Eiser voert aan dat de vreemdelingenbewaringsgronden niet zijn aangekruist in de maatregel van vreemdelingenbewaring. Volgens eiser levert dit een gebrek op in de maatregel.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 5.10, eerste lid, van het Vb, rust op de minister de plicht dat de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt gedagtekend en ondertekend en de maatregel met redenen wordt omkleed. Daarbij heeft de minister een informatieplicht: aan de vreemdeling op wie de maatregel betrekking heeft, wordt onmiddellijk een afschrift daarvan uitgereikt. De vreemdeling wordt daarbij schriftelijk, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze verstaat, op de hoogte gebracht van de redenen van vreemdelingenbewaring en van de rechtsmiddelen die tegen oplegging van de maatregel openstaan, alsook van de mogelijkheid om gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te vragen.
De rechtbank stelt vast dat in het M109-formulier met de maatregel van vreemdelingenbewaring op de eerste pagina daarvan enkel de a-grond en de j-grond staan benoemd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen schending van artikel 5.10, eerste lid, van de Vb. De rechtbank overweegt hiertoe dat alle vreemdelingenbewaringsgronden die eiser zijn tegengeworpen vanaf de tweede pagina in het M109-formulier zijn benoemd en met redenen worden omkleed, waardoor zij geen aanleiding ziet dat dit een gebrek in de maatregel is. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat aan eiser een informatiefolder inbewaringstelling in de taal Turks is uitgereikt waarvan de inhoud met behulp van een tolk Turks is uitgelegd. De rechtbank stelt vast dat alle vreemdelingenbewaringsgronden in de informatiefolder zijn aangekruist en ziet geen aanleiding voor het oordeel dat eiser in zijn belangen is geschaad door de beperkte opsomming op eerste pagina in de maatregel van vreemdelingenbewaring. De beroepsgrond slaagt niet.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
5. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd niet inhoudelijk heeft bestreden. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat sprake is van een onderduikrisico en kunnen daarom de maatregel van bewaring dragen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 augustus 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.