[eiser] ,
geboren [geboortedatum] 1999, van Chinese nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. S. de Schutter)
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser en het verzoek om een voorlopige voorziening.
Bij besluit van 12 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, Y. van der Linde als tolk in de taal Mandarijn en de gemachtigde van de minister. Ook was de vader van eiser, [persoon] , aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden eisers asielaanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en dat de voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond en asielrelaas
3. Eiser heeft verklaard dat hij de Chinese nationaliteit en Han-Chinese
Etniciteit heeft. Op 29 juni 2026 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Eiser heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd.
Eiser stelt niet terug te kunnen keren naar China. Eiser heeft een politieke overtuiging. Eiser is namelijk voor een democratische staat en erkent het autocratische regime van de CCP niet. Eiser is in 2019 naar het Centrale Comité gegaan waar hij een klacht in heeft gediend tegen de gevangenschap van zijn vader. Eiser is vervolgens één dag vast gezet en heeft een bestuurlijke straf gekregen die hij moest ondertekenen. Eiser is vervolgens meerdere keren geïntimideerd, hij is een aantal keer gebeld en de autoriteiten zijn bij zijn moeders huis langs geweest. Toen zijn vader vrijkwam in 2022 namen de intimidaties af. Eiser is ongeveer drie of vier keer tot aan zijn vertrek gebeld in deze periode. Bij terugkeer naar China vreest eiser voor de Chinese autoriteiten.
Besluitvorming
4. Verweerder heeft de volgende asielmotieven onderscheiden:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Politieke overtuiging en de daaruit voortvloeiende problemen.
De minister acht eiser zijn identiteit, nationaliteit, herkomst geloofwaardig en ook zijn politieke overtuiging en de daaruit voortvloeiende problemen. De minister beoordeelt deze geloofwaardige asielmotieven als volgt. Eiser is geen vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, waardoor eiser geen verblijfsvergunning asiel krijgt. Eiser heeft zijn vrees voor de Chinese autoriteiten namelijk niet aannemelijk gemaakt. Het wordt betreurd dat eiser een dag vast heeft gezeten en geïntimideerd is door de Chinese autoriteiten. Deze intimidaties zijn echter niet zwaarwegend genoeg om te voldoen aan de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Het is namelijk niet aannemelijk dat hij nog problemen zal ondervinden met de Chinese autoriteiten vanwege zijn klacht en zijn vaders politieke overtuiging. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de Chinese autoriteiten staat en hem bij terugkeer vervolging te wachten staat vanwege zijn politieke overtuiging. Ook is er geen sprake van een diepgewortelde overtuiging die eiser bij terugkeer zal of moet uiten. Daarnaast krijgt eiser geen subsidiaire bescherming. Eiser loopt bij terugkeer naar China namelijk geen reëel risico op ernstige schade. Eiser vreest dat hij vervolgd zal worden vanwege gedwongen orgaandonatie. Nergens blijkt uit dat mensen gedwongen hun organen moeten afstaan aan ambtenaren in China. Dit heeft eiser op geen enkele manier onderbouwd. Daarnaast heeft hij geen concrete aanwijzingen dat hij persoonlijk vervolgd zal worden vanwege zijn organen. Tot slot is de aanvraag kennelijk ongegrond verklaard. Eiser heeft namelijk belangrijke documenten niet gegeven en opzettelijk zijn paspoort verscheurd zodat hij niet terug zou worden gestuurd naar China.
Problemen vanwege politiek overtuiging
5. Allereerst stelt eiser zich op het standpunt dat de minister hem ten onrechte niet als vluchteling heeft aangemerkt dan wel ten onrechte niet heeft aangenomen dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar China. Zo zijn de intimidaties en bedreigingen die eiser in China heeft ondervonden niet op waarde geschat door de minister, omdat niet zou blijken dat eiser fysiek persoonlijk zou zijn bedreigd. Daarnaast maakt het enkele feit dat eiser het land heeft kunnen verlaten niet dat hij geen problemen zal hebben bij terugkeer. Verder is in het bestreden besluit ten onrechte gesteld dat eiser zijn politieke overtuiging niet dermate overtuigend is dat geen terughoudendheid kan worden verwacht van eiser bij terugkeer naar China. Dat eiser zich na 2019 beperkt politiek heeft geuit kwam doordat hij voorzichtig moest zijn omdat hij in de gaten werd gehouden en zich openlijk uiten gevaarlijk was. Ook is het QQ-account van eiser geblokkeerd nadat hij politieke onderwerpen had geplaatst. Verder heeft eiser er in de correcties en aanvullingen op gewezen dat hij ook graag zou willen demonstreren in Nederland dus niet alleen online. Ook is ten onrechte in het geheel voorbij gegaan aan de eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade, of een rechtstreekse bedreiging daarmee. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat de minister ten onrechte niet als asielmotief aangenomen dat eiser een familielid van een dissident, zijn vader, is. Zijn vader heeft een asielvergunning in Nederland gekregen vanwege problemen nadat hij zich politiek heeft geuit in China.
De minister stelt zich op het standpunt dat de politieke overtuiging en de daaruit voortvloeiende problemen van eiser onvoldoende zwaarwegend zijn om eiser als vluchteling aan te merken of eiser subsidiaire bescherming te verlenen. Het is vervelend dat eiser een bestuurlijke straf heeft gekregen en is geïntimideerd door de Chinese autoriteiten. Maar eiser is voor zijn vertrek in 2026 nooit fysiek persoonlijk bedreigd, heeft enkel intimiderende telefoontjes gekregen en er zijn agenten bij zijn moeder langs geweest. Dat is volgens de minister niet zwaarwegend genoeg. Daarnaast is het niet aannemelijk dat eiser nog problemen zal ondervinden met de Chinese autoriteiten nu eiser niets meer van hen heeft vernomen sinds zijn vader is vrijgelaten. Daarnaast kan de minister volgen dat eiser een politieke overtuiging heeft, maar vindt dat eiser deze niet zo sterk (heeft) (ge)uit dat hij moet worden aangemerkt als een politiek activist. Eiser heeft een paar berichten op QQ geplaatst maar heeft zich nadat zijn account werd geblokkeerd niet meer geuit op social media. De WeChat berichten van eiser waren altijd binnen een privéchat en verbloemd. Ook heeft eiser enkel aangegeven dat hij zich bij terugkeer zou willen uiten over wat hij heeft meegemaakt. Daarom mag van eiser de nodige terughoudendheid worden verwacht bij terugkeer naar China.
De rechtbank overweegt dat in het arrest Y en Z en in het arrest S en A het Hof uiteen heeft gezet hoe moet worden beoordeeld of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens een (toegedichte) politieke overtuiging. Relevante elementen voor deze beoordeling zijn de sterkte van de overtuiging van de betrokkene en eventueel verrichte activiteiten om die overtuiging uit te dragen. Het is niet vereist dat de overtuiging van de betrokkene zo diepgeworteld is dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst het uiten ervan niet achterwege zou kunnen laten. Volgens het arrest moet een uitputtend en grondig onderzoek worden verricht naar de relevante omstandigheden, waarbij zowel de specifieke persoonlijke situatie van de betrokkene als de bredere context van het land van herkomst, met name wat de politieke, juridische, gerechtelijke, historische en sociaal-culturele aspecten ervan betreft, in aanmerking moeten worden genomen.
De rechtbank oordeelt als volgt. Allereerst heeft de minister ten onrechte geoordeeld dat van eiser terughoudendheid verwacht mag worden in het uiten van zijn politieke mening bij terugkeer naar China. De rechtbank kan de minister volgen in het standpunt dat hij geen prominent politiek activist is. Dit betekent echter niet dat van eiser verwacht mag worden dat hij bij terugkeer naar China zijn politieke mening niet zal uiten. De minister heeft namelijk te veel gewicht toegekend aan het feit dat eiser zich in China beperkt heeft geuit en daarbij niet alle individuele omstandigheden van eiser en de relevante landeninformatie betrokken. Eiser heeft in het nader gehoor en de correcties en aanvullingen namelijk aangegeven dat hij zich juist wel op social media zou willen uiten over zijn politieke mening en op straat zou willen protesteren, maar dit in China niet mogelijk is. Eiser heeft ook aan den lijve ondervonden wat er gebeurt als hij zich uitspreekt tegen de Chinese autoriteiten. Zo is zijn vader opgepakt en heeft hij jaren in de gevangenis gezeten nadat hij zich kritisch had geuit. Toen eiser een klacht had gediend tegen de gevangenschap van zijn vader, werd hij zelf ook opgepakt en geïntimideerd. Daarnaast is eiser zijn QQ-account geblokkeerd nadat hij zich had uitgelaten over zijn politiek mening. Met het blokkeren van eiser zijn QQ-account is hij gecensureerd en direct beperkt in zijn vrijheid van meningsuiting. Eiser heeft zich daarna wel geprobeerd te uiten via WeChat, maar kon dit niet veel en ook niet zonder zijn gesprekken te verbloemen. Eiser verdient namelijk zijn geld als influencer. Als hij zich te veel zou uiten op social media, vreesde eiser op alle social media platforms geblokkeerd te worden en dat hij dan zijn werk niet meer zou kunnen uitoefenen. De minister heeft ter zitting gesteld dat het op WeChat gaat om privégesprekken tussen vrienden, er verbloemd over de politieke uitingen wordt gesproken en dat het daarom niet aannemelijk is dat de Chinese autoriteiten eiser hierom zullen vervolgen. Hiermee miskent de minister dat uit het algemeen ambtsbericht blijkt dat de autoriteiten ook mee kunnen lezen met privégesprekken.
Verder heeft de minister in het bestreden besluit ten onrechte niet beoordeeld of eiser als familielid van een dissident veilig terug kan keren naar China. Zo heeft de minister niet in de besluitvorming betrokken dat de vader van eiser problemen in China heeft gehad door zijn politieke mening te uiten en hierom een asielvergunning in Nederland heeft gekregen. Verder kan de rechtbank de minister niet volgen in de stelling dat eiser na de vrijlating van zijn vader in 2022 geen problemen met de Chinese autoriteiten meer heeft gehad. Eiser heeft namelijk in het nader gehooren de correcties en aanvullingen aangegeven dat hij na 2022 wel minder, maar nog steeds een paar keer per jaar gebeld werd door de Chinese autoriteiten als ze zijn vader niet konden bereiken. Daarnaast heeft de minister niet betrokken dat uit het ambtsbericht blijkt dat de Chinese overheid mensen ook in het buitenland in de gaten houdt. Nu eiser zich in Nederland op X heeft geuit en zijn vader zich in Nederland ook open is blijven uiten tegen de Chinese overheid, heeft de minister ten onrechte niet betrokken waarom dit er niet toe zou leiden dat eiser nog meer op de radar komt te staan van de Chinese overheid. Uit het ambtsbericht blijkt immers dat familie wordt ingezet om dissidenten onder druk te zetten. Eiser heeft dit in China ook al ondervonden. Als eiser niet thuis was werd zijn moeder benaderd om te vragen waar hij was en als de autoriteiten zijn vader niet konden bereiken werd er verhaal gehaald bij eiser. De minister heeft niet beoordeeld waarom het niet aannemelijk is dat eiser dit nogmaals zal overkomen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister ten onrechte onvoldoende gemotiveerd heeft dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar China. De beroepsgrond slaagt.
Het beroep is dan ook gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank zal de minister opdragen om een nieuw besluit te nemen. In het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank zich nog uitlaten over de vraag of dit nieuw te nemen besluit kan worden afgedaan in de asielgrensprocedure.
De asielgrensprocedure
6. Op grond van artikel 44, eerste lid, van de Procedureverordening kan de minister in de asielgrensprocedure een beslissing nemen over de gegrondheid van een verzoek indien een van de in artikel 42, eerste lid, punten a tot en met g en punt j, en artikel 42, derde lid, punt b, genoemde omstandigheden zich voordoen.
Aan eiser is tegengeworpen dat zich de omstandigheid genoemd in artikel 42, eerste lid, onder c, van de Procedureverordening voordoet. In artikel 42, eerste lid, onder c, van de Procedureverordening is geregeld dat indien een vreemdeling valse informatie of documenten verstrekt of relevante informatie of documenten achterhoudt, met name omtrent zijn identiteit of nationaliteit, die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben sprake is van opzettelijke misleiding. Dit is ook het geval als de vreemdeling te slechter trouw een identiteitsbewijs of reisdocument heeft vernietigd of zich ervan heeft ontdaan om de vaststelling van zijn of haar identiteit te verhinderen.
7. Eiser heeft aangevoerd dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 42, eerste en derde lid, van de Procedureverordening. Eiser heeft zijn identiteitskaart waarschijnlijk bij de KMar afgegeven en het document is momenteel bij de receptie ingeslotenen van het Justitieel Complex Schiphol. Eiser wil dit document graag overleggen, maar dan moet hij hiertoe wel in de gelegenheid worden gesteld. Nu de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig heeft geacht, kan eiser ook niet volgen waarom het vernietigen van het paspoort hem wordt tegengeworpen.
De minister stelt zich op het standpunt dat wel sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onder c, van de Procedureverordening. Eiser heeft verklaard een identiteitskaart en rijbewijs in bezit te hebben, maar heeft deze niet overgelegd. Deze documenten hadden kunnen helpen om zijn identiteit of nationaliteit vast te stellen. Daarnaast heeft eiser opzettelijk zijn paspoort verscheurd zodat hij niet terug zou worden gestuurd naar China. Dit is geen verschoonbare verklaring voor het vernietigen van zijn paspoort.
De rechtbank is van oordeel dat de minister artikel 42, eerste lid, onder c, van de Procedureverordening ten onrechte heeft toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een situatie waarin eiser relevante informatie of documenten heeft achtergehouden die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben. Ook is geen sprake van een situatie waarin eiser te slechter trouw zijn paspoort heeft vernietigd om de vaststelling van zijn identiteit te verhinderen. De rechtbank betrekt hierbij het volgende. Het staat niet ter discussie dat eiser zijn paspoort heeft verscheurd. De rechtbank volgt echter niet dat eiser de minister hierdoor heeft misleid en verhinderd zijn identiteit, nationaliteit en herkomst vast te stellen. In het dossier zitten sinds het nader gehoor namelijk kopieën van eiser zijn identiteitskaart en rijbewijs. Tijdens het nader gehoor heeft de gehoormedewerker aangegeven achter de originele documenten aan te gaan. Op de zitting is gebleken dat de minister deze originele stukken niet heeft opgevraagd. De gemachtigde van eiser is er via VluchtelingenWerk achter gekomen dat de originele stukken zich bij JCS bevinden. Nu het voor eiser vanuit detentie veel lastiger is de stukken op te vragen en de hoormedewerker had toegezegd hier achteraan te gaan, kan de minister eiser niet tegenwerpen dat hij onvoldoende inspanningen heeft verricht om de originele stukken terug te krijgen. Eiser heeft de originele stukken dus niet bewust achtergehouden en de minister heeft aan de hand van de kopieën de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser vast kunnen stellen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet wordt voldaan aan het vereiste van artikel 42, eerste lid, onder c, van de Procedureverordening. De beroepsgrond slaagt.
Grensdetentie
8. Tot slot overweegt de rechtbank dat zij niet kan oordelen over de gronden die zijn aangevoerd ten aanzien van de grensdetentie. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt immers dat alleen de bewaringsrechter mag oordelen over de rechtmatigheid van de grensdetentie.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet, gelet op de aard van de gebreken, geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij moet de minister als uitgangspunt nemen dat eiser en zijn familie problemen hebben ondervonden met de Chinese overheid. Ook moet de minister betrekken dat eiser in het verleden is blootgesteld aan vervolging en dat dit een indicatie is dat hij bij terugkeer opnieuw te maken kan krijgen met vervolging. De minister moet hierbij ook betrekken dat gelet op de eerdere blootstelling aan vervolging de bewijslast naar de minister verschuift. Daarbij moet de minister de landeninformatie over China betrekken. Verder dient de minister te betrekken dat de vrees voor vervolging als bewezen moet worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door eiser aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar China. Verder moet de minister in het nieuw te nemen besluit aan de hand van recente landeninformatie kenbaar beoordelen of eiser bij terugkeer naar China een gegronde vrees heeft voor vervolging danwel een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege zijn recente politieke uitingen op X en vanwege de (recente) politieke uitingen van zijn vader. Tot slot moet de minister betrekken dat de vader van eiser hier een asielvergunning heeft gekregen vanwege zijn politieke uitingen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor tien weken.
Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De
proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de
door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
9.3.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.40268,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 12 juli 2026;
- draagt de minister op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.40269,
- wijst het verzoek af.
De rechtbank, in beide zaken,
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.