RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.44712
(gemachtigde: mr. L. Sinoo),
en
(gemachtigde: mr. C.J. Orthmann).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het besluit tot verlenging van de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring.
De maatregel is opgelegd op 15 februari 2026. Bij besluit van 6 augustus 2026 (het verlengingsbesluit) heeft de minister de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.
De minister heeft de rechtbank in kennis gesteld van het verlengingsbesluit door middel van een kennisgeving. Daarmee wordt eiser geacht tegen het verlengingsbesluit beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Allachi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Toetsingskader
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Gelet op artikel 94, zevende lid, eerste volzin, van de Vw geldt hetzelfde voor het verlengingsbesluit.
De minister moet in het verlengingsbesluit nagaan of is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onevenredig bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. Als dit voldoende gemotiveerd is, wordt voldaan aan alle uit de Terugkeerrichtlijn en het arrest Mahdi voortvloeiende vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit.
Is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging?
3. Eiser voert aan dat de limitatieve gronden van artikel 59, zesde lid, van de Vw, voor verlenging met twaalf maanden niet zijn aangetoond. Volgens eiser heeft hij deelgenomen aan alle vertrekgesprekken tussen 17 februari 2026 en 28 juli 2026 en heeft hij informatie verstrekt die aanleiding heeft gegeven tot onderzoek naar zijn paspoort in Spanje. Daarnaast stelt eiser dat het feit dat het vervangende reisdocument nog niet is afgegeven, een omstandigheid is die in de invloedssfeer van de Algerijnse autoriteiten ligt en niet aan eiser kan worden toegerekend.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw geldt dat de maatregel van bewaring na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen ontbreekt.
Naar het oordeel van de rechtbank is door de minister voldoende toegelicht dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting. Anders dan eiser stelt, betekent deelname aan de vertrekgesprekken niet zonder meer dat sprake is van de medewerking van eiser aan zijn uitzetting. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat uit de vertrekgesprekken blijkt dat eiser wisselende verklaringen heeft afgelegd over de verblijfplaats van zijn paspoort en identiteitskaart. Deze verklaringen zijn niet met controleerbare bewijsstukken onderbouwd, waarbij eiser ook niet heeft aangetoond dat hij zelf concrete stappen heeft gezet om zijn documenten via familieleden, bekenden of de Spaanse autoriteiten te achterhalen. Ook heeft eiser verklaard niet naar Algerije te willen terugkeren en geen gebruik te willen maken van het IOM. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de procedure voor de aanvraag voor een laisser-passer nog niet is afgerond. Dit heeft eiser ook niet betwist. Ongeacht of dit eiser of de Algerijnse autoriteiten aan te rekenen is, ontbreekt de benodigde documentatie om eiser uit te zetten.
Verder spant de minister zich voldoende in om het vertrek van eiser te bewerkstelligen. Er wordt elke drie weken schriftelijk gerappelleerd bij de autoriteiten van Algerije, staat er een presentatie in persoon voor eiser gepland op 19 augustus 2026 en worden ook op regelmatige basis vertrekgesprekken met eiser gevoerd.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat er is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de maatregel van bewaring. De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden het besluit tot verlenging van de bewaringstermijn dragen?
4. In het verlengingsbesluit staat dat eiser op 15 februari 2026 in bewaring is gesteld omdat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en/of omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Vervolgens staat in het verlengingsbesluit dat de volgende gronden voor bewaring uit artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) ten grondslag liggen aan het besluit tot verlenging van de bewaringstermijn:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden a, b, p en t heeft bestreden. Ter zitting heeft eiser zijn beroepsgrond zo geherformuleerd dat hij zich op het standpunt stelt dat de gronden a, b en p niet langer aan eiser kunnen worden tegengeworpen, aangezien zijn nationaliteit en identiteit inmiddels vaststaan. Ten aanzien van de t-grond voert eiser aan dat er nooit antecedenten ter onderbouwing van deze t-grond zijn overlegd door de minister.
De rechtbank overweegt als volgt. In het verlengingsbesluit heeft de minister opgenomen dat eiser zonder geldig grensoverschrijdingsdocument Nederland binnen is gekomen, dat eiser op 20 augustus 2025 een terugkeerbesluit is opgelegd waarbij eiser niet binnen de gestelde termijn Nederland of de Europese Unie heeft verlaten en dat eiser niet beschikt over een voorgeschreven document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb, eiser met onbekende bestemming is vertrokken, eiser zich niet meer aan zijn wekelijkse meldplicht heeft gehouden en zijn aanwezigheid in Nederland niet heeft gemeld bij de korpschef. De rechtbank is van oordeel dat de gronden a, b en p ten tijde van het opleggen van het verlengingsbesluit op 6 augustus 2026 nog steeds feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn als ten tijde van het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring op 15 februari 2026. Een eventuele tussentijdse vaststelling van de nationaliteit en identiteit van een vreemdeling doet daar niet aan af.
Gelet op het voorgaande zijn de gronden a, b, p en ook de niet-bestreden gronden naar het oordeel van de rechtbank feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd om een onderduikrisico aan te nemen, en kunnen daarmee de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor verdere bespreking van de t-grond. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser voert aan dat de minister geen serieuze toetsing van het lichter middel in de afweging van het verlengingsbesluit heeft betrokken. Eiser stelt, nu het identiteitsonderzoek is afgerond en een concrete presentatiedatum vaststaat, dat de minister diende te motiveren waarom een lichter middel niet volstaat. Volgens eiser verwijst het verlengingsbesluit uitsluitend naar de eerdere onttrekking aan het toezicht in september 2025, zonder de sindsdien gewijzigde omstandigheden zoals een vaststaande identiteit en geplande presentatie in die afweging te betrekken.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. In het verlengingsbesluit heeft de minister gemotiveerd dat er geen aanleiding is om aan eiser een lichter middel op te leggen, aangezien eiser met onbekende bestemming is vertrokken en zich vervolgens niet meer gehouden heeft aan de aan eiser opgelegde meldplicht. Ook heeft de minister bij het afzien van het lichter middel betrokken dat eiser zich tot op heden niet dan wel onvoldoende actief en volledig meegewerkt heeft aan het vaststellen van eisers identiteit en nationaliteit en aan de voorbereiding van zijn terugkeer. Dat eisers identiteit ten tijde van het verlengingsbesluit vaststaat en er een presentatie is gepland, maakt dit niet anders. Ten slotte is gesteld noch gebleken dat sprake is van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om een lichter middel toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de belangen afgewogen naar evenredigheid en proportionaliteit?
6. Eiser voert aan dat bij het verstrijken van de termijn van zes maanden dat eiser in vreemdelingenbewaring zit, het belang van eiser bij opheffing van de bewaring in het algemeen zwaarder weegt dan het belang van de minister bij voortduring van de bewaringsmaatregel. Eiser stelt dat de minister dit belang onvoldoende heeft afgewogen en niet heeft meegenomen dat het identiteitsonderzoek is afgerond en een concrete presentatiedatum is vastgesteld. Anders dan in de schriftelijk ingediende beroepsgronden, heeft de advocaat van eiser ter zitting zijn beroepsgrond zo geherformuleerd dat er geen sprake is van een vereiste individuele noodzakelijkheids- en evenredigheidstoets per vreemdelingenbewaringsgrond zoals bedoeld onder 4., maar dat deze in onderlinge samenhang bezien moeten worden. De advocaat van eiser heeft ter zitting naar aanleiding van vragen van de rechtbank bevestigd dat daarmee een beroep op de evenredigheid van het volledige verlengingsbesluit en de daarin afgewogen belangen wordt bedoeld.
De minister stelt zich ter zitting op het standpunt dat de belangen op een juiste wijze zijn afgewogen. Daartoe voert de minister op zitting aan dat terecht is meegewogen dat eiser zich in de laatste fase van de uitzetting bevindt en verwijst verder naar de motivering in het verlengingsbesluit.
De rechtbank overweegt als volgt. Als een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat en de minister voortvarend werkt aan de verwijdering, is de duur van de bewaring een element dat bij de belangenafweging moet worden betrokken. Naarmate de bewaring voortduurt, wordt het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld groter. Als de maatregel langer duurt dan zes maanden, kan deze toch voortduren als sprake is van bijkomende omstandigheden, zoals frustratie van het onderzoek door de vreemdeling, passief of actief. Uit wat hiervoor onder 3.2 is overwogen, volgt dat eiser niet alle medewerking verleent aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Ook blijkt uit de maatregel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat na afweging van alle betrokken belangen de voortduring van bewaring noodzakelijk en niet onevenredig wordt geacht. De rechtbank volgt de minister ook in zijn betoog ter zitting dat is meegewogen dat eiser in de laatste fase van zijn uitzetting zit en er een presentatie in persoon bij de Algerijnse autoriteiten is gepland op 19 augustus 2026. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de belangen op een juiste wijze afgewogen en neemt de rechtbank in overweging dat eiser verder niet heeft geconcretiseerd wat het verlengingsbesluit voor hem onevenredig maakt, terwijl het wel op eisers weg ligt om dit aan te tonen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 augustus 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.