ECLI:NL:RBDHA:2026:24974

ECLI:NL:RBDHA:2026:24974

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer NL24.24292
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Visum kort verblijf, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres 1], V-nummer: [V-nummer 1], eiseres 1,

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.24292

[eiser] , V-nummer: [V-nummer 2], eiser

[eiseres 2] , V-nummer: [V-nummer 3], eiseres 2

en hun minderjarige kind:

[minderjarige] , V-nummer: [V-nummer 4],

samen te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. M. Taheri),

en

(gemachtigden: mr. D.N. Dutscher en mr. K. Kana).

Procesverloop

Bij besluiten van 31 mei 2023 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.

Bij besluit van 28 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (referent), de gemachtigde van eisers, L. Neshin als tolk en de gemachtigden van verweerder.

Overwegingen

Inleiding

Eisers hebben de Iraanse nationaliteit. Op 11 mei 2023 hebben zij aanvragen tot het verlenen van een visum voor kort verblijf, met als doel familiebezoek, ingediend. Zij wensen op bezoek te gaan bij [naam], referent. Eisers zijn de moeder, zwager, zus en neefje van referent.

Bij de primaire besluiten heeft verweerder de aanvragen van eisers afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en omdat er redelijke twijfel bestaat over hun voornemen het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de visumaanvragen gehandhaafd. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van Nederland (en de andere lidstaten) voor het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten. Niet is gebleken van een zodanige sociale en economische binding met Iran dat voldoende is gewaarborgd dat eisers tijdig zullen terugkeren naar Iran.

In het verweerschrift heeft verweerder de afwijzingsgrond dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond, laten vallen. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat de weigeringsgrond dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten, de afwijzing van de visumaanvragen zelfstandig kan dragen.

Beoordeling door de rechtbank

Sociale en economische binding met het land van herkomst

3. Een visum kan onder andere worden geweigerd als er redelijke twijfel bestaat over onder meer het voornemen van de vreemdeling om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Dit volgt uit artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode. Verweerder heeft daarbij een ruime beoordelingsmarge. De rechtbank kan het bestreden besluit slechts terughoudend toetsen (zie hiervoor het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, zaak C-84/12, Koushkaki, ECLI:EU:C:2013:862).

In het kader van de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het tijdig verlaten van het grondgebied van de lidstaten, moet verweerder kijken naar de algemene situatie in het land waar de visumaanvrager woont en de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager, waaronder met name zijn sociale en economische binding met het land van herkomst. Verweerder hoeft daarbij geen zekerheid te verkrijgen over het voornemen van de aanvrager om Nederland tijdig te verlaten; de redelijke twijfel over dat voornemen volstaat. Zie voormeld arrest in de zaak van Koushkaki (punten 68 en 69).

De sociale binding met het land van herkomst

4. Eisers voeren aan dat zij een sociale binding hebben met Iran. Eiseres 1 heeft daar nog een dochter en twee kleinkinderen die jongvolwassen zijn en met wie zij een nauwe band heeft. Eiser heeft in Iran zijn broers en zussen en hun kinderen. Hij is als oom zeer betrokken in hun leven. Ook heeft hij vrienden en collega’s waar hij sociale banden mee heeft. Voor zijn vrouw, eiseres 2, geldt hetzelfde: ook haar vrienden, familie en oud-collega’s blijven achter. Bovendien is zij ook bezorgd om de studie van haar zoon en alleen al daarom zal het gezin tijdig terugkeren. Alleen referent woont in Nederland, dus hebben eisers een sterkere band met Iran dan met Nederland aangezien zij hun hele leven daar hebben gewoond.

Subsidiair voeren eisers aan dat zij tenminste een geringe sociale binding met het land van herkomst hebben. Een geringe sociale binding hoeft niet in de weg te staan aan de inwilliging van een aanvraag indien geen redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum (zij verwijzen hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 30 augustus 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:12347). Er is geen ‘redelijke twijfel’ over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Uit de genoemde uitspraak volgt ook dat verweerder bij zijn beslissing moet betrekken dat referent/garantsteller meerdere malen betrouwbaar is geweest. Referent heeft nooit eerder iemand uitgenodigd in ruim 10 jaar tijd in Nederland. Er dient hem dus het voordeel van de twijfel gegeven te worden. Dat referent in 2017 een mvv-aanvraag voor zijn moeder had ingediend was enkel op advies van zijn advocaat die een nutteloze procedure wilde voeren om geld binnen te halen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat eisers voldoende sociale binding met Iran hebben om op grond daarvan tijdige terugkeer gewaarborgd te achten. Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd dat eiser en eiseres 2 met elkaar getrouwd zijn en samen één kind hebben. Nu eisers samen als gezin naar Nederland willen reizen, bestaat er geen sociale band met Iran voor wat betreft een eigen achterblijvend gezin, waarvoor eiser en eiseres 2 de verantwoordelijkheid dragen. Niet is gebleken dat eisers de zorg hebben voor directe familieleden of in staat zouden zijn om hen te onderhouden. Ook is niet gebleken dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eisers zouden dwingen tijdig naar Iran terug te keren. Dat laatste geldt ook ten aanzien van eiseres 1. Zij is de moeder van referent, ten tijde van het bestreden besluit 77 jaar oud, weduwe en heeft drie kinderen waarvan één achterblijvend in Iran. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het achterblijven van een meerderjarig kind niet wordt gezien als substantiële sociale binding dan wel garantie om tijdig voor terug te keren. Niet is gebleken dat het meerderjarige kind speciale zorg behoeft. Ook is niet gebleken dat eiseres 1 de zorg heeft voor (andere) directe familieleden of in staat zou zijn om hen te onderhouden. Er is dus niet gebleken dat eisers hoofdzakelijk sociale binding met Iran hebben, aangezien er ook sociale binding met Nederland is. Verweerder heeft tegen deze achtergrond in redelijkheid kunnen overwegen dat de omstandigheid dat eisers nog familieleden hebben in Iran van onvoldoende gewicht is om te kunnen concluderen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten.

De economische binding met het land van herkomst

5. Eisers voeren aan dat verweerder in het bestreden besluit enigszins verkapt aan hen heeft tegengeworpen dat eisers niet voldoende middelen zouden hebben om hun reis te kunnen bekostigen. Eiser is als dierenarts in dienst bij de overheid. Hij heeft salarisstroken overgelegd en een werkgeversverklaring waarin staat dat hij 90 dagen betaald verlof mag opnemen. Verweerder werpt aan eiser tegen dat hij geen ISS-document heeft overgelegd. Het had op de weg van verweerder gelegen om in het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel dit telefonisch bij eisers op te vragen. Hetzelfde geldt voor het standpunt van verweerder dat eiser een licentie zou moeten hebben overgelegd. Eiser is in dienst en heeft enkel met zijn diploma’s zijn baan kunnen krijgen, daarvoor had hij geen licentie nodig. Daarnaast heeft eiser een woonhuis vrij van hypotheek waardoor hij weinig vaste lasten heeft, heeft hij ruim € 4.742,90 als spaartegoed waar hij ook winsten van ontvangt en hebben de aandelen die hij tijdens de aanvraag heeft overgelegd ook een hoge waarde, waar hij ook winsten van ontvangt. Eiser heeft daarom wel een economische binding met Iran en een stabiele financiële levenssituatie.

Eiseres 2 is inmiddels met pensioen en heeft haar loonstroken overgelegd. Verweerder stelt dat omdat zij geen bankoverzicht heeft overgelegd dit niet meegerekend kan worden. Ook hier had verweerder een herstel verzuim mogelijkheid kunnen aanbieden. Eiseres 2 heeft verder nog een auto van een ruime waarde. Eiseres 1 is een weduwe op leeftijd en heeft enkel haar woning en een nabestaandenuitkering waar ze meer dan voldoende van kan leven. Ook heeft ze een spaartegoed van € 3.255,- op haar bankrekening. De aanvraag dient in zijn geheel te worden beschouwd nu eiser feitelijk garant staat voor de economische stabiliteit. Verweerder stelt dat over (on)roerend goed ook in het buitenland kan worden beschikt, maar dat is geen gegronde reden om aan te geven dat er geen economische binding met het land is. Er is dan geen enkele manier om de economische binding met het land aan te tonen. Verweerder had gebruik kunnen maken van de hoorplicht om een en ander nader te onderzoeken of eisers een herstel verzuim termijn kunnen aanbieden om het beeld te verduidelijken. Uit de overgelegde documenten in de aanvraagfase blijkt dat dit geheel inzichtelijk was gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eisers met de bij de aanvragen en in bezwaar overgelegde stukken niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een dusdanig sterke economische binding met Iran hebben dat hun terugkeer op grond daarvan voldoende gewaarborgd is te achten. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt mogen stellen dat eiser met de overgelegde documenten onvoldoende heeft onderbouwd dat hij een dienstverband heeft waarvoor hij terug zou moeten naar Iran. Over de tegenwerping in het bestreden besluit dat is nagelaten voor het beroep van eiser een licentie over te leggen, heeft verweerder ter zitting gesteld dat is bedoeld dat eiser geen arbeidsovereenkomst heeft overgelegd van zijn dienstverband maar enkel een werkgeversverklaring. Op dit document van de ‘State Veterinary Organization’ is arbeidsinformatie over zijn bruto salaris te zien, maar hij heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij ten tijde van het bestreden besluit nog in dienst was. Dat eiser salarisstroken over de maanden januari tot en met maart 2023 en een toestemmingsverklaring van de ‘State Veterinary Organization’ voor verlof van 22 juni 2023 tot 21 september 2023 heeft overgelegd, heeft verweerder onvoldoende mogen achten. Verweerder wijst er verder op dat uit het rekeningoverzicht van eiser niet blijkt waar de hoge stortingen vandaan komen en dat er geen aanwijzingen zijn dat die stortingen inkomsten zijn die zijn gegenereerd uit werk. Verweerder heeft dan ook kunnen concluderen dat niet is gebleken dat eiser een regelmatig en substantieel inkomen heeft. Verder heeft verweerder zich ten aanzien van eiseres 1 en eiseres 2 op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat zij, om hun pensioeninkomsten te kunnen ontvangen, fysiek in Iran zouden moeten verblijven. Ook kunnen eisers hun onroerend goed in Iran vanuit het buitenland beheren. Hetzelfde geldt ten aanzien van de aandelen van eiser bij ‘Central Securities Depository of Iran’. De rechtbank kan verweerder erin volgen dat voor de beoordeling van de vraag of tijdige terugkeer is gewaarborgd, wel degelijk relevant kan zijn of sprake is van omstandigheden die de fysieke aanwezigheid van een vreemdeling in het land van herkomst vereisen.

Eerdere mvv-aanvraag

6. Ook heeft verweerder bij zijn besluitvorming mogen betrekken dat referent in 2017 voor eiseres 1 een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf heeft aangevraagd, zodat eiseres 1 zich bij referent in Nederland kon vestigen. Op deze aanvraag is afwijzend beslist. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat gelet hierop het niet aannemelijk is dat eiseres 1 een tijdelijk familiebezoek voor ogen heeft.

Hoorplicht

7. Ten aanzien van het standpunt van eisers dat zij ten onrechte niet zijn gehoord, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval van het horen van eisers heeft kunnen afzien. Verweerder mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen in bezwaar afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Een bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met de motivering van het eerste besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor. Eisers waren er in het primaire besluit al op gewezen dat zij onvoldoende hadden aangetoond dat zij een sterke sociale en economische binding hebben met Iran. Nu dit aspect in bezwaar onvoldoende is onderbouwd, heeft verweerder van het horen van eisers kunnen afzien. Verweerder heeft dan ook terecht het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar

Griffier

  • mr. M.M. Mercelina

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand