ECLI:NL:RBDHA:2026:24978

ECLI:NL:RBDHA:2026:24978

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-07-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer NL26.30484
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Asiel, Liberia, geloofwaardigheidsbeoordeling, ontbreken van documenten, verklaringen, samenhangend en aannemelijk geheel, motiveringsgebrek, beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.30484

(gemachtigde: mr. F.S. Boedhoe),

en

(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter in stand. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Liberiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1983. De minister heeft met het bestreden besluit van 25 mei 2026 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Sinds 2006 of 2007 werkte hij als [functie] . Toen hij onderweg was van [plaats 1] naar [plaats 2] is hij terecht gekomen in een hinderlaag. Eiser en de bijrijder, een vriend, moesten uitstappen en op hun buik gaan liggen. De vriend ging schreeuwen en werd vervolgens doodgeschoten. De familie van deze vriend, tevens de buren van eiser, beschuldigde eiser ervan dat hij de oorzaak was van zijn dood. Op een dag hebben ze eiser aangevallen in de nacht en gestoken met een mes. Eiser is toen vertrokken uit [plaats 1] en naar zijn zus en haar man gegaan. Later is hij naar [plaats 3] gevlucht. Toen hij in 2010 terugkeerde naar Liberia is zijn aanwezigheid door een spion doorgegeven aan de buren. Na twee dagen zijn ze naar het huis van eisers zus en haar man gegaan en hebben ze hen aangevallen en mishandeld. Eisers zus en zwager zijn daardoor overleden. Toen eiser in 2018 terugkeerde om zijn paspoort te regelen, zijn de buren naar hem op zoek gegaan. Eiser vreest bij terugkeer dat hij wordt gedood door zijn buren vanwege de dood van hun broer en vanwege een conflict en over het landgoed van eisers vader.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen met de familie van de overlijden bijrijder acht de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft geen documenten overgelegd waarmee hij zijn asielmotief onderbouwt. De minister vindt dat eiser ook niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder a, c, d en e, van de Vw. Ten eerste heeft hij geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven. Hij heeft geen inspanning getoond tijdens de gehoren en geen documenten overgelegd ter staving van zijn asielmotief. Ten tweede vormen de verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft tegenstrijdig verklaard over zijn asielmotief, de hinderlaag en de dood van zijn zus en zwager. Ook heeft hij niet aangetoond dat hij is teruggekeerd naar Liberia en zijn de verklaringen over de ruzie met de buren ongeloofwaardig. Ten derde heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft eiser hiervoor geen goede verklaring. Ten slotte kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Dit omdat hij gebruik heeft gemaakt van een vals document en heeft volgehouden dat hij een Italiaanse verblijfsvergunning heeft gehad, terwijl uit onderzoek is gebleken dat hij deze niet heeft gehad. Ook is eiser – ten tijde van zijn vorige asielaanvraag – eind februari 2022 met onbekende bestemming vertrokken. De minister komt tot de conclusie dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Ook loopt hij bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade. De aanvraag is kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c en e, van de Vw. Eiser moet onmiddellijk terugkeren naar Liberia en eiser krijgt een inreisverbod voor twee jaar.

Heeft de minister de problemen van eiser met de familie van de overleden bijrijder terecht ongeloofwaardig geacht?

Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, van de Vw.

5. Eiser wijst ten eerste op de overwegingen in de zienswijze en dat deze als ingelast en herhaald moeten worden beschouwd.

6. De rechtbank overweegt dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op de zienswijze van eiser. Het is daarom aan eiser om concreet toe te lichten waarom hij het daarmee niet eens is. De rechtbank gaat daarom voorbij aan eisers algemene verwijzing naar de zienswijze.

7. Eiser voert verder aan dat hij voldoende inspanning heeft geleverd tijdens het gehoor. Hij heeft naar zijn vermogen verklaard. Hij heeft geen scholing gehad, waardoor hij niet altijd een adequaat antwoord kan geven. De minister laat na aan te geven welke vragen onbeantwoord zijn gebleven. Verder heeft eiser getracht om via derden aan de documenten te documenten, maar dat dit niet is gelukt. Van eiser kan niet worden verwacht dat hij zichzelf in gevaar brengt door naar Liberia te gaan om documenten te verkrijgen.

De minister heeft ter zitting erkend dat eiser, gelet op de rapporten van de gehoren, steeds antwoord heeft proberen te geven op de vragen gesteld door de hoorambtenaar. Het standpunt in het bestreden besluit dat eiser geen inspanning heeft getoond tijdens zijn gehoren kan daarom geen standhouden. Ook de tegenwerping dat eiser op vragen van de hoormedewerker een antwoord geeft dat geen betrekking heeft op de vraag, en dat eiser geen documenten ter staving van zijn asielmotief heeft overgelegd valt volgens de minister bij nader inzien niet te scharen onder het bereik van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, van de Vw. De minister is bij nader inzien van oordeel dat eiser voldoet aan de in dit onderdeel bedoelde voorwaarde. Daarnaast verzoekt de minister aan de in het besluit gegeven motivering met betrekking tot de documenten toe te voegen dat de minister vindt dat eiser geen redelijke verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van documenten waarvan het bestaan door eiser zelf is gesteld. Ten aanzien van de ‘niet-passende antwoorden’ betoogt de minister dat eisers verklaringen op dit punt niet samenhangend en aannemelijk zijn.

Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond. Het beroep is gegrond en het besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.

De rechtbank overweegt dat de minister met de toelichting ter zitting waarbij hij verwijst naar de tweede alinea op pagina 3 van het bestreden besluit zijn standpunt over het ontbreken van de documenten alsnog voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. In deze alinea stelt de minister zich op het standpunt dat hoewel eiser misschien afhankelijk is van derden voor het verkrijgen van de documenten, hij op geen enkele manier heeft aangetoond dat hij heeft geprobeerd om aan de documenten te komen. Ook blijft volgens de minister onduidelijk waarom de documenten niet aan eiser verzonden kunnen worden. Hij geeft hiervoor geen verklaring. Deze toetsing sluit volgens de minister aan bij artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b van de Vw. Eiser heeft dit standpunt van de minister in beroep niet inhoudelijk betwist.

Ten aanzien van de tegenwerping van de minister dat eiser een ‘ander’ antwoord geeft wanneer de hoormedewerker meerdere keren een vraag stelt, heeft de minister op zitting geen aanvullende toelichting gegeven en enkel gesteld dat de juridische grondslag voor de tegenwerping anders is dan in het besluit was vermeld. In het bestreden besluit is verwezen naar onder andere p. 14, 16 en 19 van het nader gehoor. De minister heeft echter nagelaten om specifiek te benoemen welke antwoorden hij bedoelt en waarom dit bijdraagt aan het standpunt dat eiser zijn verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw. Hiermee is de minister er niet in geslaagd dit gebrek in de motivering te herstellen. De rechtbank beschouwt dit als een gering gebrek en gelet op het navolgende niet als doorslaggevend.

Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw – problemen met de tolk

8. Eiser voert verder aan dat hij de tolk tijdens het aanmeldgehoor niet goed heeft kunnen verstaan en dat de hoorambtenaar dit meerdere malen heeft geconstateerd. Eiser heeft aangegeven dat hij de Engelse taal niet goed beheerst. Er wordt te zwaar gewicht toegekend aan de verklaringen gedaan tijdens het in het Engels afgenomen gehoor bij de Koninklijke Marechaussee (KMar). Het nader gehoor is afgebroken en op een andere dag voortgezet, omdat eiser de tolk niet goed begreep. Gelet op de laaggeschooldheid van eiser kan niet van hem worden verwacht dat hij gebeurtenissen in een consistente tijdlijn kan plaatsen en dat hij samenhangend, consistent, gedetailleerd, concreet en eenduidig kan verklaren.

De rechtbank overweegt als volgt. Het aanmeldgehoor met de aanwezige tolk Engels is voldoende zorgvuldig geweest. De hoorambtenaar heeft aan het begin en aan het einde van het gehoor gevraagd of eiser de tolk goed heeft begrepen waarop eiser bevestigend heeft geantwoord. Het klopt dat er door de hoorambtenaar wordt opgemerkt dat de tolk aangeeft dat eiser soms erg slecht te verstaan is en dat hij zelf ook merkt dat het Engels niet heel duidelijk klinkt. In het gehoor zijn echter voldoende waarborgen geboden aan eiser op momenten dat er onduidelijkheden bestonden over de gestelde vragen en gegeven antwoorden. Zo heeft de tolk waar er onduidelijkheid bestond over het door eiser gegeven antwoord, het vertaalde antwoord zin voor zin herhaald aan eiser om te controleren of dit klopte. Bovendien is er tijdens de eerste dag van het nader gehoor een Mandingo tolk aanwezig geweest, omdat eiser aan het einde van het aanmeldgehoor heeft aangegeven dat hij dit fijn zou vinden. Vervolgens is het nader gehoor stopgezet en op de tweede dag voortgezet met een andere tolk Mandingo, omdat eiser ook graag Engelse woorden wilde gebruiken. De minister heeft hiermee elke keer geprobeerd om eiser tegemoet te komen en heeft hiermee voldoende invulling gegeven aan zijn samenwerkingsverplichting. Ook heeft eiser meerdere keren in het nader gehoor aangegeven dat hij de tolk goed kon verstaan. Verder betrekt de rechtbank dat eiser op geen enkel moment in de procedure specifieke voorbeelden heeft gegeven van hoe de communicatie met de tolk een negatieve invloed heeft gehad op zijn antwoorden en de daarmee verbonden tegengeworpen tegenstrijdigheden.

Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw – overig

9. Eiser verwijst wat betreft de tegenstrijdigheden omtrent de hinderlaag en de dood van zijn zus naar de zienswijze. Met betrekking tot de terugkeer naar Liberia wijst eiser erop dat hij niet geschoold is. De minister verwijt eiser ten onrechte dat hij geen exacte data kan benoemen. Eiser kon als enige duidelijkheid verschaffen aan de familie van de overleden vriend nu hij aanwezig was toen de vriend werd aangevallen.

10. Zoals de rechtbank onder 6. heeft overwogen kan de verwijzing naar de zienswijze zonder nadere motivering niet worden gezien als een afzonderlijke beroepsgrond. Eiser heeft met deze verwijzing het standpunt van de minister dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de hinderlaag en de dood van zijn zus en zwager blijft, niet gemotiveerd betwist. Verder zijn de gronden over de terugkeer naar Liberia en de ruzie met de buren een herhaling van hetgeen in de zienswijze al naar voren is gebracht. Nu de minister hier in het bestreden besluit al voldoende gemotiveerd op is ingegaan, volgt de rechtbank het standpunt van de minister dat eiser niet heeft aangetoond dat hij is teruggekeerd naar Liberia en dat eisers verklaringen over de buren ongeloofwaardig zijn.

11. Ten slotte overweegt de rechtbank dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. In het bestreden besluit is expliciet opgemerkt dat eiser laaggeschoold is en dat niet aan hem wordt tegengeworpen dat hij geen specifieke data kan benoemen. Ook overigens blijkt uit de besluitvorming dat de minister het niet kunnen noemen van exacte data van geen belang vindt. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat redelijkerwijs wel verwacht mag worden dat eiser samenhangend, consistent en eenduidig kan verklaren. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d en e, van de Vw

12. Eiser voert verder aan dat hij zijn asielaanvraag in Nederland onmiddellijk heeft ingediend. Hiervóór had eiser een procedure in Italië lopen. Toen hij daar geen opvang meer had en de situatie onhoudbaar werd is hij vertrokken naar Nederland. Verder heeft eiser eerlijk verklaard over de valse verblijfsvergunning en was hij niet voornemens om de minister te misleiden. Eiser was door zijn laaggeschooldheid in de veronderstelling dat het document een (echte) verblijfsvergunning betrof. Vanwege angst voor de slechte omstandigheden in Italië en mogelijke overdracht op grond van de Dublin verordening is eiser met onbekende bestemming vertrokken uit het asielzoekerscentrum in Nederland.

13. De rechtbank stelt vast dat de gronden op deze punten een herhaling vormen van hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht. De minister is hier in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op ingegaan. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser niet zo spoedig mogelijk zijn asielaanvraag heeft ingediend doordat hij meerdere keren illegaal in Nederland heeft verbleven zonder asiel aan te vragen, terwijl de problemen volgens de verklaringen van eiser zich al voordoen sinds 2006. Verder staat vast dat eiser gebruik heeft gemaakt van een valse (Italiaanse) verblijfsvergunning en dat hij zich daarvan bewust was. Hij heeft hierover namelijk zelf gezegd dat hij wist dat de vergunning vals was en dat hij deze voor € 250,- had gekocht van een vriend. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan wat eiser in beroep stelt. Verder is het onlogisch dat eiser stelt dat hij met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvang in Nederland tijdens de eerdere Dublinprocedure uit angst voor overdracht naar Italië aangezien is gebleken dat hij vervolgens zelfstandig naar Italië is gereisd en daar een asielverzoek heeft gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie geloofwaardigheid, asielaanvraag

14. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft is de rechtbank, alles overziend, van oordeel dat de minister eiser terecht niet het voordeel van de twijfel heeft gegeven zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de Vw en zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de problemen van eiser met de familie van de overleden bijrijder ongeloofwaardig zijn. De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen en een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Inreisverbod

14. Eiser heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd omdat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden waarop hij zich beroept. Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft niet gespecificeerd en niet onderbouwd op welke bijzondere omstandigheden hij zich beroept. Ook overigens ziet de rechtbank geen redenen waarom de minister had moeten afzien van het opleggen van een inreisverbod.

Conclusie en gevolgen

16. Gelet op wat de rechtbank onder 7.1. tot en met 7.4. heeft overwogen is het beroep gegrond. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek en is in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De minister heeft terecht geoordeeld dat de problemen van eiser met de familie van de overleden bijrijder ongeloofwaardig zijn en de asielaanvraag terecht afgewezen.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 25 mei 2026;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. R.R. Nortier, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

24 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. O. Veldman

Griffier

  • mr. R.R. Nortier

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand