ECLI:NL:RBDHA:2026:24985

ECLI:NL:RBDHA:2026:24985

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer NL25.26289
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Mvv-aanvraag, nareis, pleegkind, Sierra Leone, feitelijke pleegrelatie, voogdijschap, gewoonterecht, artikel 8 EVRM, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] ,

[eiser 2] ,

[eiser 3] ,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.26289

geboren op [geboortedatum 1] 2005

V-nummer: [V-nummer 1]

geboren op [geboortedatum 2] 2008

V-nummer: [V-nummer 2]

geboren op [geboortedatum 3] 2013

V-nummer: [V-nummer 3]

allen van Sierra Leoonse nationaliteit, hierna samen te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. L.M. Straver),

en

(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis ingediend door [referente] (referente) ten behoeve van eisers. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de mvv-aanvragen in stand kan blijven. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 21 oktober 2022 heeft referente ten behoeve van eisers mvv-aanvragen gedaan in het kader van nareis. Op 11 april 2024 heeft referente aanvullende informatie opgestuurd. De minister heeft de aanvragen met het besluit van 2 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 mei 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [referente] als referente, F. Ticisse als tolk en de gemachtigde van de minister.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Op 2 april 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, omdat eisers bij brief van 1 april 2026 een Affidavit of Attestation and Legal Opinion opgesteld door de heer [naam 1] . hebben ingediend.

Bij brief van 16 april 2026 heeft de minister een reactie ingediend op het stuk. Op 4 mei 2026 hebben eisers gereageerd op het standpunt van de minister.

Op 25 juni 2026 hebben eisers een nieuwe Expert Legal Opinion opgesteld door de heer [naam 2] . ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 9 juli 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding

3. Eisers wensen in Nederland te verblijven als de pleegkinderen van referente. Referente is tevens de biologische zus van eisers. Referente beschikt sinds 26 oktober 2019 over een asielstatus in Nederland. De moeder van referente en eisers is in [maand] 2018 overleden, terwijl hun vader al eerder in 2014 is overleden.

Het bestreden besluit

4. De aanvragen zijn afgewezen, omdat eisers niet voldoen aan de algemene voorwaarden. De minister heeft het bezwaar in het bestreden besluit afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is overwogen dat de gezinsband in het kader van nareis wordt getoetst ten tijde van de binnenkomst van referente in Nederland en dat op dit moment geen pleegrelatie bestond tussen referente en eisers. Verder heeft referente in haar aanmeldgehoor eenduidig gesteld dat zij geen pleegkinderen heeft. De minister stelt daarnaast dat de verklaring omtrent de voogdij pas in 2022 is geregeld en dat er op het peilmoment daarom geen sprake was van officieel pleegouderschap. Referente heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij na het overlijden van de moeder een feitelijke pleegrelatie heeft onderhouden met eisers, immers is referente direct na het overlijden van de moeder gevlucht naar Nederland. Eisers hebben sindsdien bij hun ooms verbleven, eerst bij de oom van hun vaderskant en later bij de oom van hun moederskant, oom [naam 3] . Verder is het louter assisteren bij de opvoeding voor het overlijden van de ouders onvoldoende om van een pleegrelatie te spreken. De minister stelt verder dat hij niet is gehouden om ambtshalve aan artikel 8 EVRM door te toetsen.

Gezinsband peilmoment

5. Het relevante peilmoment voor de beoordeling van de gezinsband is volgens artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a Vw het moment van de binnenkomst van de desbetreffende referent in Nederland. De rechtbank gaat uit van de datum van binnenkomst van referente zoals vastgesteld door de minister in het bestreden besluit, namelijk de periode oktober 2019.

Feitelijke pleegrelatie

6. Eisers voeren aan dat minister bij de beoordeling van de gezinsband onvoldoende rekening heeft gehouden met de onvrijwillige scheiding tussen referente en eisers door de vluchtsituatie van referente. Hierdoor heeft referente geen feitelijke invulling kunnen geven aan het voogdijschap totdat het contact was hersteld in 2021/2022. Overigens is van belang dat referente al na het overlijden van haar vader in 2014 een ouderrol vervulde.

7. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt. Voor wat betreft de stelling dat referente al na het overlijden van haar vader een ouderrol vervulde, heeft de minister het standpunt mogen innemen dat het enkel assisteren door referente van haar moeder bij de opvoeding van eisers onvoldoende is om van een pleegrelatie te spreken. Voorts heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er na het overlijden van de moeder van referente en op het eerste peilmoment sprake was van een feitelijke pleegrelatie tussen referente en eisers. Referente heeft namelijk in deze procedure naar voren gebracht dat zij meteen na het overlijden van haar moeder in [maand] 2018 is gevlucht en dat eisers in eerste instantie feitelijk werden verzorgd door een oom van vaderskant en daarna door hun oom [naam 3] van moederskant. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat er ten tijde van het peilmoment sprake was van een feitelijke pleegrelatie, kan er geen sprake zijn van een pleegrelatie die (tijdelijk) anders wordt ingevuld en/of wordt verbroken vanwege een vluchtsituatie. Dat het contact tussen referente en eisers na de vlucht van referente in 2021/2022 is hersteld, is niet relevant voor de beoordeling van de vraag of er op het peilmoment sprake was van een pleegrelatie. De beroepsgrond slaagt niet.

(Officieel) voogdijschap

8. Eisers voeren daarnaast aan dat referente hun voogd is geworden na het overlijden van hun moeder in [maand] 2018, omdat referente als meerderjarig familielid de nauwste familieband heeft met eisers. Eisers lichten ter zitting toe dat dit uit Sierra-Leoons gewoonterecht blijkt en wijzen ter onderbouwing op de Letter of Attestation, afgegeven door de Sierra Leoonse autoriteiten op 19 oktober 2022. Hieruit blijkt volgens eisers dat oom [naam 3] de voogdij niet overdraagt, maar slechts toestemming geeft aan referente om nu ook de feitelijke zorg over eisers over te nemen. Eisers wijzen verder ter onderbouwing op de verklaringen van referente in de Vragenlijst gezinsband kind, ingevuld ten behoeve van [eiser 1] en [eiser 2] , waarin referente aangeeft dat eisers hun pleegkinderen zijn geworden na de dood van de ouders. Ook wijzen eisers op de Affidavit of Attestation and Legal Opinion opgesteld door de heer [naam 1] . van 31 maart 2026 en de Expert Legal Opinion opgesteld door de heer [naam 2] . van 17 juni 2026 om hun standpunt te onderbouwen dat na het overlijden van de moeder de voogdij over eisers op grond van het gewoonterecht automatisch is overgegaan op referente.

De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt. De minister heeft zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat referente niet heeft onderbouwd dat zij ten tijde van het peilmoment officieel de voogdij over eisers heeft verkregen. Voor zover de Letter of Attestation moet worden gezien als een voogdijverklaring waarin referente de voogdij officieel heeft geregeld, is van belang dat de verklaring dateert van 19 oktober 2022 en dat hieruit niet volgt dat referente ten tijde van het peilmoment al officieel de voogdij heeft verkregen. Uit de Letter of Attestation valt niet op te maken dat de voogdij over eisers na het overlijden van hun ouders is overgegaan op referente. Voor zover eisers ter zitting hebben aangevoerd dat de Letter of Attestation geen voogdijverklaring is maar slechts nodig was om eisers te kunnen laten uitreizen en dient als bewijsstuk voor de stelling van eisers dat de voogdij al ten tijde van het overlijden van hun moeder - al dan niet officieel en op basis van gewoonterecht - op referente is overgegaan, volgt de rechtbank eisers daarin niet. De rechtbank betrekt hierbij dat hoewel er in de Letter of Attestation naar referente wordt verwezen als ‘guardian and elder sister’ en naar oom [naam 3] als ‘temporal caretaker’, de minister op dit punt terecht heeft tegengeworpen dat de verklaring niet eenduidig inzicht geeft over de voogdij in de periode na het overlijden van de moeder tot aan het relevante peilmoment voor de beoordeling van de gezinsband.

Daarnaast werpt de minister ter zitting tegen dat eisers niet hebben onderbouwd dat het gewoonterecht is in Sierra Leone dat na het overlijden van de ouders de voogdij wettelijk overgaat op de oudste. De rechtbank volgt de minister hierin en overweegt dat de verwijzing van eisers naar de verklaringen van referente in de Vragenlijst gezinsband kind onvoldoende is om te onderbouwen dat uit Sierra Leoons gewoonterecht blijkt dat referente na het overlijden van de moeder voogd is geworden van eisers. Ook is de verwijzing van eisers ter zitting naar WI 2024/4 hiertoe onvoldoende. Uit deze instructie blijkt slechts dat het een mogelijkheid is dat uit de wetgeving van een land blijkt dat na het overlijden van de biologische ouders, de eerste in lijn van de biologische vader de voogdij krijgt over het minderjarige kind. Eisers hebben niet onderbouwd dat daar in hun geval op basis van Sierra Leoonse wet- en regelgeving sprake van is.

Ten aanzien van de overgelegde Affidavit of Attestation and Legal Opinion opgesteld door de heer [naam 1] . en de Expert Legal Opinion opgesteld door de heer [naam 2] ., overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank volgt het door de minister ingenomen standpunt dat het, gelet op het rapport Mapping and analysis of the child protection system in Sierra Leone van Child Frontiers Ltd van april 2010, niet aannemelijk is dat de voogdij op basis van het gewoonterecht na het overlijden van de moeder van eisers is overgegaan op referente. Uit het rapport blijkt namelijk dat, ondanks dat met de komst van de Child Rights Act 2007 zaken zoals ouderlijk gezag, voogdij, en pleegouderschap officieel geregeld moeten worden, het meestal door de eigen familieleden en/of gemeenschap wordt besloten wie de zorg over een kind overneemt. Volgens traditioneel recht/gewoonterecht behoren kinderen toe aan de gemeenschap en besluit die gemeenschap wie het meest geschikt is om de zorg en het welzijn van het kind over te nemen. Hieruit blijkt dus niet dat de voogdij automatisch overgaat op een oudere zus na het overlijden van de ouders, zoals eisers hebben gesteld. Aangezien referente naar voren heeft gebracht dat zij meteen na het overlijden van haar moeder, in [maand] 2018, is gevlucht naar Nederland, heeft de minister het standpunt mogen innemen dat het niet aannemelijk is dat de gemeenschap haar heeft aangewezen als voogd. Immers was zij daardoor niet in staat om voor eisers te zorgen en hebben de ooms van eisers de zorgtaken vanaf dat moment op zich genomen. De rechtbank erkent dat de minister, zoals eisers in hun schrijven van 4 mei 2026 stellen, wellicht een verkeerde verwijzing heeft opgenomen in zijn voetnoot door te verwijzen naar pagina 74 van het rapport. De rechtbank stelt echter vast dat de passage waar de minister zich op heeft gebaseerd is terug te vinden op pagina 77 van het rapport. Eisers zijn voldoende in staat gesteld om inhoudelijk op het standpunt van de minister te reageren. De stelling van eisers dat de tekst waarnaar de minister verwijst niet ziet op het gewoonterecht maar meer op de praktijk, volgt de rechtbank niet. De bron verwijst immers naar het gewoonterecht en stelt dat op basis daarvan voogdij en pleegouderschap in de praktijk anders worden geregeld dan hoe het officieel in de Sierra Leoonse wet- en regelgeving is vastgelegd. Ten slotte hecht de rechtbank meer waarde aan het door de minister overgelegde rapport dan aan de door eisers overgelegde legal opinions. Hierbij betrekt de rechtbank dat het rapport is geschreven door een onafhankelijke en onpartijdige organisatie en dat in het rapport verantwoording is afgelegd over de gehanteerde onderzoeksmethode. Daarentegen zijn de legal opinions opgesteld ten behoeve van eisers, is niet gebleken dat de advocaten die de stukken hebben opgesteld bijzondere expertise hebben op het gebied van Sierra Leoons gewoonterecht met betrekking tot voogdijschap en evenmin blijkt uit de legal opinions waarop de stelling dat de voogdij bij het overlijden van de ouders automatisch overgaat naar de oudste broer/zus is gebaseerd.

Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de minister terecht het standpunt heeft ingenomen dat eisers niet hebben onderbouwd dat er op het eerste peilmoment, namelijk oktober 2019, sprake was van officieel of onofficieel pleegouderschap. De beroepsgrond slaagt niet.

Verklaring referente aanmeldgehoor

9. De stelling van eisers dat de minister ten onrechte de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor niet bij zijn beoordeling heeft betrokken, waarin referente heeft aangegeven dat zij wel pleegkinderen heeft, namelijk haar twee zusjes en haar broertje, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De minister heeft ter zitting niet langer het standpunt gehandhaafd uit het bestreden besluit dat referente in haar aanmeldgehoor eenduidig zou hebben aangegeven dat zij geen (pleeg)kinderen heeft. Dat de minister dit argument niet langer handhaaft, vormt geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen of om een aanvullende motivering van de minister te verlangen. Uit het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 7 en 8.4. blijkt al dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake was van een pleegrelatie op het peilmoment.

Ambtshalve artikel 8 EVRM toets

10. Eisers voeren ten slotte aan dat de minister ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM had moeten doortoetsen. Eisers wijzen hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 december 2023. De minister mocht in het bestreden besluit niet naar IB 2024/7 verwijzen. Dit informatiebericht is niet van toepassing op eisers hun aanvragen nu deze dateren van 21 oktober 2022. De verwijzing naar een informatiebericht kan verder niet als motivering volstaan, omdat dit geen beleid is in de zin van de Vc. Verder voeren eisers aan dat een informatiebericht niet de bevoegdheid van artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb kan ontnemen. Ook voeren eisers aan dat het niet doortoetsen aan artikel 8 van het EVRM geen stand kan houden, omdat het standpunt van de minister over het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 29, tweede lid, van de Vw in rechte geen standhoudt.

11. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt. Uit de door eisers aangehaalde uitspraak van de Afdeling blijkt dat de minister in elke nareiszaak deugdelijk moet motiveren waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om ambtshalve door te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. De minister kan voor die motivering verwijzen naar het toepasselijke beleid als hij daarin heeft toegelicht waarom hij in bepaalde gevallen geen gebruik maakt van deze bevoegdheid of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik maakt. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit niet alleen heeft verwezen naar IB 2024/7, maar heeft toegelicht dat niet wordt doorgetoetst aan artikel 8 van het EVRM als er niet is voldaan aan de formele voorwaarden van een nareisaanvraag, bijvoorbeeld als een gezinslid niet is genoemd in artikel 29, tweede lid, van de Vw. Daarvan is in het onderhavige geval sprake omdat niet is gebleken van een pleegrelatie tussen eisers en referente op het peilmoment. Verder heeft de minister in het primaire besluit toegelicht waarom niet wordt doorgetoetst aan artikel 8 van het EVRM door te verwijzen naar diverse redenen: het niet voldoen aan de algemene voorwaarden van de nareisaanvraag, het voorkomen dat de nareisprocedure voor doelen wordt gebruikt waarvoor deze niet is bedoeld en het feit dat een nareisaanvraag gratis is terwijl er leges zijn verbonden aan een artikel 8 EVRM aanvraag. Daarmee heeft de minister deugdelijk gemotiveerd waarom hij in de zaak van eisers geen gebruik maakt van de bevoegdheid om door te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.

Hoorplicht

12. Eisers voeren verder aan dat de minister in bezwaar had moeten horen en verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022. Eisers stellen dat er in hun geval geen sprake is van de uitzondering op de hoorplicht vanwege een kennelijk ongegrond bezwaar. Eisers vullen ter zitting aan dat de gehele discussie over de betekenis van de verklaring van de Sierra-Leoonse autoriteiten en over de verklaringen van referente gelet op de correcties en aanvullingen maken dat de minister had moeten horen.

13. Uit de door eisers aangehaalde uitspraak van de Afdeling volgt dat de WI 2022/20 terecht als uitgangspunt neemt dat een vreemdeling in bezwaar moet worden gehoord. Een kennelijk ongegrond bezwaar vormt een uitzondering op deze hoorplicht. Dit is evident het geval in de situatie dat het bezwaarschrift feitelijk een herhaling van zetten is. Dit betekent dat er alleen feiten en omstandigheden worden aangevoerd die voorafgaand aan de bezwaarprocedure afdoende zijn onderzocht en meegewogen in het besluit op de aanvraag en daarover worden geen nieuwe argumenten of gezichtspunten naar voren gebracht.

De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het feitencomplex al voldoende duidelijk blijkt uit de stukken overgelegd voorafgaand aan de bezwaarprocedure. Uit het antwoord op de herstelverzuimbrief van 2 juli 2024 blijkt namelijk dat eisers stellen dat referente hielp met de dagelijkse taken en de zorg voor eisers toen hun moeder nog in leven was, dat referente direct na het overlijden van haar moeder is gevlucht, dat twee ooms toen achtereenvolgens de feitelijke zorg op zich hebben genomen, dat referente vanaf 2021/2022 weer de zorg op zich heeft genomen en dat de verklaring van de voogdij in 2022 is geregeld. De enkele stelling in bezwaar dat de minister niet heeft onderkend dat referente en eisers vanaf hun geboorte al familieleden zijn en dat referente in Sierra Leone de facto al een rol van pleegmoederschap heeft vervuld, dat zij moest vluchten, dat daarna sprake was van contactherstel en dat zij het pleegmoederschap vervolgens ook formeel heeft geregeld, vormt een herhaling van zetten van wat in de eerdere stukken al is verklaard en kan zonder nadere toelichting niet worden gezien als een nieuw argument of gezichtspunt. Gelet op het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 11 bestond er ook geen aanleiding om te horen in het kader van artikel 8 van het EVRM. De stelling van eisers ter zitting dat de gehele discussie ter zitting impliceert dat de minister had moeten horen, maakt het oordeel niet anders. De rechtbank betrekt hierbij dat de hoorplicht afhankelijk is van hetgeen eisers aanvoeren in bezwaar en dat de toelichting van eisers over de gestelde pleegrelatie en het bestaan daarvan op basis van gewoonterecht niet is aangevoerd in bezwaar, maar pas ter zitting. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister op goede gronden het bezwaar ongegrond heeft mogen verklaren en eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.R. Nortier, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

13 augustus 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.G.M. van Veen

Griffier

  • mr. R.R. Nortier

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand