RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38869
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 23 februari 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 21 juli 2025, mede onder verwijzing naar het voornemen, eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Daarbij is ook geen verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek verleend en is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd met de wettelijke vertrekplicht van vier weken.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en beroepsgronden ingediend. De beroepsgronden hebben alleen betrekking op de afgewezen asielaanvraag.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door een tolk en zijn gemachtigde, en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser kreeg op twaalfjarige leeftijd op school een vriendschap met [naam 2] . Het was eerst een gewone vriendschap; pas later ontwikkelde eiser liefdesgevoelens voor hem. Op achttienjarige leeftijd kreeg eiser een relatie met [naam 2] . Op 16 maart 2016 gingen eiser en [naam 2] naar een feest, wat achteraf een gay feest bleek te zijn. Op dat feest kwam de politie en de politie begon te schieten. Eiser is toen gevlucht en heeft [naam 2] daarna niet meer gezien of gesproken. Er waren bewakingscamera’s en eiser heeft van [naam 3] en [naam 4] gehoord dat de politie op zoek is naar mensen die op de camerabeelden zichtbaar zijn. Eiser is vervolgens naar een oud klasgenoot, genaamd [naam 5] gegaan, die eiser in contact heeft gebracht met een mensensmokkelaar, genaamd [naam 6] . [naam 6] heeft eiser uit Nigeria gesmokkeld en in Libië overgedragen aan een man, genaamd [naam 7] . Eiser heeft meer dan een jaar in Libië moeten werken en moest zijn geld afgeven aan [naam 7] . Toen is eiser per boot naar Italië gegaan. Daar heeft hij ruim vier jaar verbleven. [naam 6] kwam eiser in Italië weer op het spoor en heeft hem gezegd dat hij nog een schuld bij hem heeft van € 30.000,-. Als eiser dit niet betaalt binnen twee maanden, zal [naam 6] zijn familie iets aandoen. Eiser is toen naar Nederland gevlucht. Eiser vreest bij terugkeer naar Nigeria voor de mensenhandelaar én voor de overheid/politie die hem zoekt vanwege de camerabeelden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Eisers problemen met [naam 6] ;
3. Eisers seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond met documenten, maar houdt de door eiser genoemde persoonsgegevens aan. De minister acht de problemen met [naam 6] ongeloofwaardig. Ook eisers gestelde (homo)seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen acht de minister ongeloofwaardig. De minister stelt zich daarbij op het standpunt dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die deze asielmotieven volledig onderbouwen en dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen (voorwaarde c).
De minister ziet in de geloofwaardig gevonden motieven, feiten en omstandigheden geen aanknopingspunten om eiser als vluchteling als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag aan te merken of om bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico op ernstige schade aannemelijk te achten. De minister wijst de asielaanvraag van eiser af als ongegrond.
Werkinstructie (WI) 2024/6
5. Eiser voert aan dat de nieuwe WI 2024/6 niet in lijn is met het Unierecht. Door de beoordeling te beperken tot artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn wordt geen invulling gegeven aan het eerste tot en met vierde lid van deze bepaling en worden de elementen die als ondersteuning van de verklaringen kunnen dienen, niet of onvoldoende betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser verwezen naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 augustus 2025. Eiser is verder van mening dat hem het voordeel van de twijfel dient te worden gegeven. Eiser verwijst naar verschillende arresten van het Europese Hof en stelt dat het uitgangspunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling moet zijn dat een relaas in zijn algemeenheid geloofwaardig is. Eiser stelt dat niet kan worden volstaan met de conclusie dat eiser niet wordt geloofd omdat hij meer had moeten verklaren of omdat sommige details niet kloppen. Volgens eiser is er in zijn geval sprake van een overall credibility en is het asielrelaas voldoende consistent en geloofwaardig. Eiser is van mening dat de minister het voordeel van de twijfel niet aan het einde van de beoordeling van het asielrelaas heeft onderzocht en geen integrale beoordeling heeft gemaakt.
De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats op 8 augustus 2025 twee uitspraken heeft gedaan over WI 2024/6, waarin is geoordeeld dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De rechtbank heeft overwogen dat de minister niet steeds zonder meer tot de conclusie kan komen dat een asielmotief niet geloofwaardig is als aan één of meerdere van de cumulatieve voorwaarden niet wordt voldaan. De rechtbank heeft daarbij verder overwogen dat het voordeel van de twijfel aan het einde van de beoordeling van het asielrelaas dient te worden onderzocht en dat de minister dan ook een integrale beoordeling moet maken, waarin beoordeeld kan worden of alles overziende de vreemdeling het voordeel van de twijfel moet worden gegund en geconcludeerd kan worden dat het asielrelaas geloofwaardig is.
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak van eiser de minister een integrale beoordeling heeft verricht en ook heeft onderzocht of aan eiser het voordeel van de twijfel zou moeten worden gegund. De minister heeft op zitting desgevraagd en op deugdelijke wijze aangegeven dat in het besluit de voorwaarden a, b, d en e niet aan eiser zijn tegengeworpen en dat in het voornemen is aangegeven dat gelet op alles wat voorlag het onvoldoende is om, gelet op de ongeloofwaardig gevonden voorwaarde c, toch tot een geloofwaardig relaas te komen. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister in zijn besluitvorming alle relevante aspecten uit het asielrelaas van eiser en de door eiser overgelegde documenten heeft betrokken, de asielmotieven op juiste wijze heeft onderscheiden en, zoals hieronder naar voren zal komen, deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de asielmotieven 2 en 3, gelet op voorwaarde c, ongeloofwaardig zijn. De rechtbank zal daarom deze beroepsgrond ongegrond verklaren en de betogen van eiser in dit verband, waarbij wordt gewezen op regelgeving en uitspraken in dit verband, onbesproken laten. De rechtbank overweegt verder het volgende.
6. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgrond dat de minister heeft nagelaten het referentiekader van eiser kenbaar, inzichtelijk en inhoudelijk te betrekken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling, niet slaagt. Op pagina 2 van het voornemen en op pagina’s 5 en 6 van het bestreden besluit is de minister op voldoende zorgvuldige en deugdelijke wijze ingegaan op het referentiekader van eiser. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van de minister hierover onjuist is. De rechtbank is het verder met de minister eens dat voldoende rekening is gehouden met de culturele achtergrond van eiser en dat eiser niet met bewijsstukken heeft onderbouwd dat het voor mannen en Afrikaanse mannen in het bijzonder, niet mogelijk is om concreter te verklaren over hun seksuele gerichtheid, gevoelens en feitelijkheden. De minister heeft daarbij terecht gewezen op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 februari 2020 3 maart 2026 en heeft eiser gelet op eisers relaas mogen tegenwerpen dat hij summier heeft verklaard en dat er meer van hem verwacht mocht worden.
7. Ook eisers beroepsgronden dat er onvoldoende is doorgevraagd tijdens het nader gehoor, dat het aanmeldgehoor niet had mogen worden betrokken in de besluitvorming en dat het ondersteunend bewijs en de verklaringen van derden niet dan wel onvoldoende zijn betrokken, slagen niet.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt op welke concrete onderdelen tijdens het nader gehoor niet zou zijn doorgevraagd. De rechtbank ziet voor eisers stellingname in het nader gehoor bovendien geen aanknopingspunten.
Voorts heeft de minister het aanmeldgehoor in de besluitvorming bij het tegenwerpen aan eiser van tegenstrijdigheden, mogen betrekken. Ingevolge artikel 3.108d, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), voor zover hier van belang, kunnen alleen de door eiser tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen omtrent zijn asielmotieven niet worden betrokken bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag. De minister heeft er in dat verband terecht op gewezen dat andere tijdens de aanmeldfase en het aanmeldgehoor afgelegde verklaringen wel kunnen worden betrokken, zoals ook in Werkinstructie 2021/8 staat aangegeven. Voorts heeft eiser niet nader onderbouwd welke verklaringen van eiser door de minister niet hadden mogen worden betrokken.
De rechtbank stelt verder vast dat de minister de door eiser overgelegde verklaringen van derden heeft betrokken in de besluitvorming. Uit het voornemen blijkt immers dat de door eiser overlegde brief van LGBT en Asylum support van 4 januari 2025 inclusief de foto’s van activiteiten van eiser in Nederland in de besluitvorming zijn betrokken en meegewogen. De brief van Rainbow Den Haag van 14 augustus 2025 is van na het bestreden besluit en pas in deze beroepsprocedure overgelegd. De rechtbank stelt vast dat de minister daarop op zitting heeft gereageerd. Voorts heeft de minister aan deze verklaringen van derden geen doorslaggevende betekenis toegekend. De rechtbank overweegt dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de verklaringen van eiser in de onderhavige procedure meer gewicht mag worden toegekend. De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielmotieven 2 en 3 ongeloofwaardig heeft kunnen vinden en daaraan in de integrale geloofwaardigheidsboordeling een doorslaggevende betekenis heeft mogen toekennen. De rechtbank overweegt daarover verder het volgende.
8. Eisers beroepsgrond dat de minister asielmotief 2 ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden, slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het voornemen en het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat dit asielmotief ongeloofwaardig is. De minister heeft eiser mogen tegenwerpen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank kan zich vinden in de deugdelijke motivering van de minister op pagina 3 en 4 van het voornemen en pagina 4 en 5 van het bestreden besluit dat eisers verklaringen over zijn reden van vertrek uit Nigeria, waarom eiser Italië heeft verlaten en over het gay feest, wisselend en ongerijmd zijn. Eiser heeft in zijn beroepsgronden bovendien niet inhoudelijk geconcretiseerd op welke onderdelen de motivering van de minister niet deugdelijk is.
9. Eisers beroepsgrond dat de minister asielmotief 3 ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden, slaagt evenmin. De rechtbank is ook in dit verband van oordeel dat de minister in het voornemen en het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat dit asielmotief ongeloofwaardig is. De minister heeft eiser mogen tegenwerpen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank kan zich vinden in de deugdelijke motivering van de minister op pagina 5 tot en met 8 na het voornemen en pagina 5 en 6 van het bestreden besluit dat eisers verklaringen over het moment dat hij erachter kwam dat hij op mannen valt en eisers verklaringen over hoe zijn relatie met [naam 2] is ontstaan, oppervlakkig zijn alsmede, dat eiser algemeen verklaart over [naam 2] en over eisers periode in Nederland. Ook heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat eiser onvoldoende duidelijk heeft gemaakt hoe hij zich bij terugkeer naar Nigeria zou willen uiten en waarom dit voor hem belangrijk is alsmede dat eiser niet persoonlijk heeft kunnen maken wat de kennis van de situatie met LHBT’ers in Nigeria met hem doet. De minister heeft tot slot ook deugdelijk gemotiveerd dat eisers verklaringen over zijn geaardheid in onderlinge samenhang bezien niet samenhangend en aannemelijk zijn en dat zijn verklaringen over de gestelde problemen niet aannemelijk zijn.
De minister heeft gelet op wat eiser zelf heeft verklaard aan de door eiser overgelegde verklaringen van derden en foto’s geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen. Vast staat dat eisers eigen verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. In de door eiser overgelegde verklaringen van derden ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het tegendeel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich derhalve op het standpunt kunnen stellen dat eisers asielmotieven 2 en 3 ongeloofwaardig zijn.
10. De rechtbank is verder met de minister van oordeel dat eiser, gezien de wel geloofwaardig geachte elementen uit eisers asielrelaas en de feiten en omstandigheden, geen vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat van een gegronde vrees voor ernstige schade bij terugkeer naar Nigeria geen sprake is.
Conclusie en gevolgen
11. Het voorgaande betekent dat de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als ongegrond en aan hem terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.