ECLI:NL:RBDHA:2026:24995

ECLI:NL:RBDHA:2026:24995

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer NL26.5944 en NL26.5950
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Samenhangende zaken, beroepen niet tijdig, asiel, ingebrekestelling via ‘veilig mailen’, beroepen ontvankelijk en gegrond, besluitmoratorium Iran, overschrijding 21-maandentermijn, nadere beslistermijn van 4+2 weken, geen bestuurlijke dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.5944 en NL26.5950

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser], met V-nummer: [V-nummer 1] ,

[eiseres] , met V-nummer: [V-nummer 2] , hierna gezamenlijk: eisers,

(gemachtigde: mr. G. van Reemst), en

de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: A. Salim).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend, omdat de minister volgens hen niet op tijd heeft beslist op hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvragen).

Overwegingen

Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?

1. De rechtbank vindt het in deze zaken niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1

Zijn de beroepen van eisers ontvankelijk en gegrond?

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2

3. De minister heeft de aanvragen op 16 juli 2024 ontvangen. De minister moet daarop in beginsel uiterlijk binnen zes maanden nadien beslissen.3

4. Eisers hebben op 6 oktober 2025 een ingebrekestelling ingediend. De minister heeft de ontvangst daarvan bevestigd op 8 oktober 2025. De minister heeft de ingebrekestelling

1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.

3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), zoals dat gold tot 12 juni 2026.

niet geweigerd.4 In de uitspraak van 13 februari 2026 heeft deze zittingsplaats van de rechtbank5 geoordeeld dat een elektronisch ingediende ingebrekestelling via “veilig mailen” rechtsgeldig is als de minister de ontvangst daarvan heeft bevestigd. Dit geldt ook als de ingebrekestelling niet via de door de minister voorgeschreven weg is ingediend. Anders dan de minister stelt, is de rechtbank van oordeel dat de ingebrekestelling geldig is en onderdeel uitmaakt van het dossier. Het standpunt van de minister dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn, volgt de rechtbank dan ook niet.

5. Eisers hebben de minister op 6 oktober 2025 en dus tijdig in gebreke gesteld. Voorts hebben eisers op 3 februari 2026, meer dan twee weken na de ingebrekestelling, beroepen ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. De beroepen zijn daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond.

6. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.6 In deze zaken is dit aan de orde.

7. Eisers komen uit Iran. Met ingang van 24 maart 2026 geldt voor asielaanvragen van vreemdelingen uit Iran een besluitmoratorium.7 De minister hoeft daardoor voor de duur van het besluitmoratorium geen beslissingen op de aanvragen te nemen.8

8. De minister heeft aan de rechtbank geen verzoek gedaan tot het bepalen van een concrete nadere beslistermijn. Mede tegen deze achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de lijn die zij heeft ingezet met haar uitspraken van 20 juli 2026.9

9. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming.10 De rechtbank weegt verder mee dat de uiterste beslistermijn van 21 maanden11 inmiddels is overschreden. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat eisers nog niet zijn gehoord over hun asielmotieven. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor moet afnemen. Uiterlijk twee weken daarna moet de minister een besluit op de aanvraag bekend maken.

4 Artikel 2:15, vierde lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van de ontvangstbevestiging van de ingebrekestelling.

5 ECLI:NL:RBDHA:2026:3820.

6 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.

7 Stcrt 2026, 11864.

8 Artikel 43, eerste lid, van de Vw, zoals dat gold tot 12 juni 2026, en artikel 2 van het Besluit tot het instellen van een besluitmoratorium en vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Iran.

Vergelijk voorts ECLI:NL:RBDHA:2026:21819.

9 ECLI:NL:RBDHA:2026:20129, ECLI:NL:RBDHA:2026:20130, ECLI:NL:RBDHA:2026:20133 en ECLI:NL:RBDHA:2026:20136.

10 ECLI:NL:RVS:2020:1560.

11 Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.

De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak

10. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom van € 50,- voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn overschrijdt. Het maximum is

€ 15.000,-. Eén en ander is overeenkomstig de aanbeveling die in dit verband geldt.12 De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaken van deze aanbeveling af te wijken.

Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?

11. Eisers hebben de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.

12. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht.13 Dit is slechts anders als de minister vóór 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist én de minister eveneens vóór die datum in gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaken niet voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom niet vaststellen.

Conclusie en gevolgen

13. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat de minister binnen zes weken alsnog besluiten op de aanvragen bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom.

14. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen beroepschriften in te dienen. Omdat de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt

€ 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,-en een wegingsfactor 0,5).

15. De rechtbank beschouwt deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Immers, eisers zijn echtgenoten, hun procedures lopen gelijk op en zijn hebben dezelfde advocaat. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend.14 Dit geldt ook voor de te verbeuren rechterlijke dwangsom.15

12 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken.

13 Stb. 2025, 96.

14 Artikel 3 van het Bpb.

15 ECLI:NL:RVS:2020:1624.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

19 augustus 2026

Documentcode:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.J.A. Schaaf

Griffier

  • mr. A.W. van Eerden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand