ECLI:NL:RBDHA:2026:25001

ECLI:NL:RBDHA:2026:25001

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 31-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer NL25.45785
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Regulier. Artikel 8 EVRM. Beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.45785

geboren op [geboortedatum] ,

van Oekraïense nationaliteit,

V-nummer: [v-nummer] ,

(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),

en

(gemachtigde: mr. L. Drenthe).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden van eiseres niet slagen en dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 23 juli 2024 een aanvraag ingediend voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 26 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Vast staat dat eiseres op 23 juni 2024 Nederland is ingereisd. Eiseres wil graag bij haar moeder in Nederland blijven en heeft met dat doel om een verblijfsvergunning regulier gevraagd.

Ten tijde van het bestreden besluit had eiseres in overeenstemming met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 februari 2024 rechtmatig verblijf in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïne (RTB).

Het bestreden besluit

4. De minister stelt zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM terecht is afgewezen. Eiseres heeft een verblijfsrecht op grond van de RTB en deze regeling was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog steeds geldend. Van terugkeer naar de Oekraïne was daarom ten tijde van het bestreden besluit geen sprake. De omstandigheid dat de bescherming die eiseres nu in Nederland op grond van de RTB heeft slechts tijdelijk is en op enig moment afloopt, betekent volgens de minister niet ten tijde van het bestreden besluit sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM. De minister verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2024.

Beroepsgronden eiseres

5. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van eiseres niet slagen en overweegt daarover het volgende.

6. Eiseres voert aan dat de minister verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM. In het bestreden besluit wordt miskend dat een verblijf op basis van de RTB een wezenlijk ander karakter heeft dan een verblijf op basis van een verblijfsvergunning. Ook is voor eiseres een direct en concreet belang bij een spoedige beoordeling op grond van artikel 8 van het EVRM omdat eiseres nu kan vallen onder het jongvolwassenenbeleid. Eiseres voert verder aan dat er wel degelijk sprake is van een meer dan gebruikelijke band tussen moeder en dochter en beschermenswaardig familieleven. Tot slot wijst eiseres op de mogelijkheid van Werkinstructie 2025/6 om naast het rechtmatig verblijf op basis van de RTB een regulier verblijfsrecht toe te kennen.

De rechtbank is met de minister van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank verwijst ter onderbouwing van haar oordeel naar de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, waarin de Afdeling overweegt dat de afwijzing van een artikel 8 EVRM-aanvraag in een situatie als deze niet betekent dat sprake is van inmenging in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Eiseres had ten tijde van het bestreden besluit immers bescherming en rechtmatig verblijf op grond van de RTB, hoeft niet terug te keren naar Oekraïne en wordt niet gescheiden van haar moeder. De omstandigheid dat de bescherming die eiseres nu in Nederland op grond van de RTB heeft tijdelijk is en op enig moment afloopt, betekent niet dat ten tijde van het bestreden besluit al sprake was van een schending van artikel 8 van het EVRM. De Afdeling heeft verder overwogen dat artikel 8 van het EVRM niet zover strekt dat het een aanvrager recht geeft op een bepaald type verblijfsvergunning. De beroepsgronden van eiseres die daarop betrekking hebben, waaronder de beroepsgronden die zien op het jongvolwassenebeleid, de werkinstructie en artikel 4:84 van de Awb, slagen derhalve evenmin.

7. De beroepsgrond van eiseres dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:2 van de Awb slaagt evenmin. Gelet op het deugdelijke standpunt van verweerder en de inhoud van bezwaarschrift was bij aanvang van de bezwaarprocedure duidelijk dat het bezwaar geen kans van slagen zal kunnen hebben. Het bezwaar was gelet daarop terecht kennelijk ongegrond op rond waarvan de minister van het horen van eiseres in de bezwaarfase heeft mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.M. van Waterschoot

Griffier

  • mr. Y. van Wijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand