RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.24458 en NL26.24501
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser 1], met V-nummer: [V-nummer 1] ,
[eiser 2] , met V-nummer: [V-nummer 2] , hierna gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. D.J. Keiman), en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend, omdat de minister volgens hen niet op tijd heeft beslist op hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvragen).
De minister heeft op 11 mei 2026 met een verweerschrift op de beroepen gereageerd.
Overwegingen
De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak
1. De rechtbank vindt het in deze zaken niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
Zijn de beroepen van eisers ontvankelijk en gegrond?
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
3. De minister heeft de aanvragen op 17 december 2023 ontvangen. Eisers hebben de minister op 29 maart 2026 in gebreke gesteld. Op dat moment was de uiterste beslistermijn van 21 maanden verstreken.3 Voorts hebben eisers meer dan twee weken na de
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
ingebrekestellingen beroepen ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. De beroepen zijn daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
4. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.4 In deze zaken is dit aan de orde.
5. De minister heeft in het verweerschrift aangegeven onderzoek te willen doen naar de status van eisers in Griekenland, omdat uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eisers in dat land internationale bescherming hebben. De minister vraagt de rechtbank om bij het bepalen van een nadere beslistermijn rekening te houden met het feit dat het gemiddeld vijf weken duurt tot de dossiers van de Griekse autoriteiten zijn ontvangen en dat het daarna gemiddeld drie weken duurt tot de dossiers zijn vertaald.
6. De minister verzoekt de rechtbank in het verweerschrift om een nadere beslistermijn op te leggen van acht weken na ontvangst van de vertaling van de Griekse dossiers. Mochten de aanvragen van eisers worden doorgestuurd naar de verlengde asielprocedure, dan verzoekt de minister de rechtbank om een nadere beslistermijn op te leggen van acht weken na aanvang van de algemene asielprocedure.
7. De rechtbank ziet in het betoog van de minister geen aanleiding om af te wijken van de lijn die zij heeft ingezet met haar uitspraken van 20 juli 2026.5 Daarbij overweegt de rechtbank dat de 21-maandentermijn inmiddels ruimschoots is overschreden en dat de minister niet concreet heeft kunnen aangeven op welke termijn het onderzoek naar de status van eisers in Griekenland kan worden opgestart. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat eisers -voor zover uit het dossier is op te maken- nog niet zijn gehoord over hun asielmotieven. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor moet afnemen. Uiterlijk twee weken daarna moet de minister een besluit op de aanvraag bekend maken.
8. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom van € 50,- voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn overschrijdt. Het maximum is
€ 15.000,-. Eén en ander is overeenkomstig de aanbeveling die in dit verband geldt.6 De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaken van deze aanbeveling af te wijken.
4 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
5 ECLI:NL:RBDHA:2026:20129, ECLI:NL:RBDHA:2026:20130, ECLI:NL:RBDHA:2026:20133 en ECLI:NL:RBDHA:2026:20136.
6 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat de minister binnen zes weken alsnog besluiten op de aanvragen bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom.
10. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen beroepschriften in te dienen. Omdat de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt
€ 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,-en een wegingsfactor 0,5).
12. De rechtbank beschouwt deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Immers, eisers zijn partners en hun procedures lopen gelijk op. Ook hebben zij dezelfde advocaat. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend.7 Dit geldt ook voor de te verbeuren rechterlijke dwangsom.8
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
7 Artikel 3 van het Bpb.
8 ECLI:NL:RVS:2020:1624.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 augustus 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.