[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. M. Jozefzoon-Flipse),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J.L.A.F. van Halteren).
Waar gaat deze zaak over?
Eiseres heeft op 17 december 2018 een EU-verblijfsdocument gekregen op grond van het arrest Chavez-Vilchez om bij [naam 1] (haar dochter), die de Nederlandse nationaliteit heeft, te verblijven. Op 1 november 2022 is dit verblijfsrecht komen te vervallen omdat de dochter van eiseres 18 jaar is geworden.
Op 20 oktober 2023 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor vernieuwing van haar EU-verblijfsdocument, dan wel een verblijfsvergunning op grond artikel 8 van het Verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM).
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 7 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 september 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de dochter en partner van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep deels gegrond is omdat niet is beslist op het verzoek om een vergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden. Eiseres krijgt dus deels gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Bestreden besluit
2. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen. Volgens de minister komt eiseres niet in aanmerking voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU. Eiseres voldoet niet aan de voorwaarden voor afgifte van een EU-verblijfsdocument, omdat geen sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar meerderjarige dochter zoals bedoeld in het K.A.-arrest. Het afgeleid verblijfsrecht dat eiseres had op grond van artikel 20 van het VWEU is daarom komen te vervallen met ingang van 1 november 2022. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het gezinsleven met de dochter van eiseres en haar echtgenoot en het privéleven van eiseres zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM geen reden zijn om aan eiseres toch een verblijfsvergunning te verlenen. De belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM valt in het nadeel van eiseres uit. In het bestreden besluit is de minister bij zijn standpunten gebleven.
Afhankelijkheidsrelatie
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert daar een aantal gronden tegen aan. Volgens eiseres is wel sprake van een zeer bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen haar en haar dochter zoals bedoeld in het K.A.-arrest. Eiseres woont sinds 2018 in Nederland bij haar dochter en haar echtgenoot. Eiseres lijdt aan COPD/astma en diabetes en bezoekt regelmatig de polikliniek Longgeneeskunde. De dochter van eiseres woont thuis en is sterk emotioneel en praktisch afhankelijk van haar moeder. Tijdens de hoorzitting is ook gewezen op de psychische klachten en angsten van de dochter van eiseres. De minister heeft hier ten onrechte geen nader onderzoek naar verricht. Ter onderbouwing van deze standpunten heeft eiseres in beroep een verklaring overgelegd van 3 november 2025 van de zorgcoördinator van de school waar de dochter van eiseres naar toe gaat. Uit die verklaring volgt volgens eiseres dat zij een cruciale rol speelt bij de psychische problematiek van haar dochter. Eiseres en haar dochter zijn zo van elkaar afhankelijk dat haar dochter gedwongen wordt eiseres te volgen als zij terug zou moeten gaan naar Pakistan.
4. De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op het A.K.-arrest bij twee meerderjarigen die behoren tot dezelfde familie, sprake moet zijn van een zodanige afhankelijkheidsverhouding waarbij de meerderjarigen op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 juni 2024 volgt dat de lat voor het aannemen van deze afhankelijkheid hoog ligt. Meerderjarigen zijn namelijk in beginsel in staat om onafhankelijk van elkaar een leven te leiden. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat tussen hem of haar en de Unieburger een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat, dat een weigering van een verblijfsrecht ertoe zal leiden dat de Unieburger gedwongen zal zijn het grondgebied van de Unie te verlaten.
5. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat eiseres en haar dochter op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. Het is aan eiseres om die afhankelijkheidsrelatie aannemelijk te maken. Daarin is eiseres niet geslaagd. Bij de aanvraag heeft eiseres een aantal stukken overgelegd, maar uit deze stukken volgt niet dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie zoals hiervoor is omschreven. De minister heeft dus ook geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te doen tijdens de bezwaarprocedure, zoals eiseres stelt. Ook is de afhankelijkheidsrelatie niet aannemelijk gemaakt met de verklaring die in beroep is overgelegd. In deze verklaring van de zorgcoördinator van de school waar de dochter van eiseres naar toe gaat staat dat eiseres haar dochter helpt bij schoolwerk en sociale activiteiten waarbij de dochter van eiseres spanning en angstklachten ervaart. Hieruit volgt echter niet dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat eiseres en haar dochter op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. De minister heeft hierop terecht gereageerd dat met die verklaring niet aannemelijk is gemaakt dat de zorgbehoefte van de dochter van eiseres niet door andere personen of instellingen kan worden overgenomen of geboden.
6. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een zodanige afhankelijkheid tussen eiseres en haar dochter dat eiseres een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU.
Artikel 8 van het EVRM
7. Ten aanzien van artikel 8 van het EVRM heeft eiseres aangevoerd dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eiseres maakt deel uit van het gezin sinds 1988. Zij is in 2018 naar Nederland gekomen. De echtgenoot van eiseres woont al langere tijd in Nederland en heeft een eigen onderneming. Het is voor hem niet mogelijk om te vertrekken naar Pakistan gelet op de trauma’s die hij daar heeft opgelopen. De dochter van eiseres volgt onderwijs in Nederland en kan daarom Nederland niet verlaten. Terugkeer van eiseres naar Pakistan heeft tot gevolg dat het familieleven wordt verbroken. De minister had moeten beoordelen of een minder bezwarend alternatief, zoals een vergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden, mogelijk was.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Vaststaat dat sprake is familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres, haar dochter en haar echtgenoot. Daarbij heeft de minister de dochter van eiseres aangemerkt als jongvolwassene. De rechtbank stelt vast dat de minister de relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken in zijn belangenafweging. In de belangenafweging heeft de minister kunnen betrekken dat eiseres weliswaar in Nederland verblijfsrecht heeft gekregen, maar dat dit slechts vier jaar heeft geduurd. Dit heeft de minister daarom niet zwaar in het voordeel van eiseres meegewogen. Ook heeft de minister kunnen betrekken dat niet aannemelijk is gemaakt dat de dochter van eiseres bijzonder afhankelijk is van eiseres. Verder heeft de minister het economisch belang van Nederland in het nadeel van eiseres kunnen meewegen. Eiseres werkt namelijk niet en heeft geen zelfstandig inkomen. Daarnaast heeft de minister niet ten onrechte in het nadeel meegewogen dat eiseres van december 2018 tot mei 2024 een uitkering heeft ontvangen in het kader van de Participatiewet, gevolgd door een Algemene Bijstandsuitkering tot november 2024. Daarbij komt dat de minister niet is gebleken dat sprake is van een objectieve belemmering om in Pakistan te verblijven en daar het gezinsleven voort te zetten. Eiseres heeft vijftig jaar in Pakistan gewoond, waardoor de banden met Pakistan de banden met Nederland overstijgen. Ook dit heeft de minister niet ten onrechte in het nadeel van eiseres kunnen laten meewegen. In het kader van privéleven heeft de minister kunnen betrekken dat niet is aangetoond dat eiseres een bijzondere en sterke binding heeft met Nederland. Niet is gebleken dat eiseres in Pakistan weer een leven zou kunnen opbouwen of dat eiseres vanwege haar medische problemen aan Nederland verbonden is.
9. De rechtbank is wel van oordeel dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om te beoordelen of aan eiseres een vergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden verleend zou kunnen worden. Bij haar aanvraag heeft eiseres al aangegeven dat zij ook aanspraak wil maken op een dergelijke vergunning. Ter zitting heeft de minister erkend dat dit niet is beoordeeld. Aangezien dit niet is beoordeeld, moet de minister deze beoordeling alsnog maken en een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. Dit gebrek kan niet worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zoals de minister ter zitting heeft gevraagd. De minister heeft namelijk nog helemaal geen beoordeling gemaakt of eiseres voor deze vergunning in aanmerking komt. Bij deze nieuwe beoordeling kan eiseres nadere stukken overleggen die de gezinssituatie nader onderbouwen. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel. Dit betekent dat de minister moet beoordelen of eiseres in aanmerking komt voor een vergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij geen beoordeling is gemaakt over de vergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden. De rechtbank ziet geen reden hier zelf een beslissing over te nemen. Dit omdat de minister die beoordeling zelf moet maken.
11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
12. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 17 september 2025 voor zover daarin geen besluit is genomen over een vergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 164,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra - Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.