ECLI:NL:RBDHA:2026:25014

ECLI:NL:RBDHA:2026:25014

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 31-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer NL26.47952
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

59-1-a, maatregel met verlengingsbesluit, Aroja, maximale bewaringsduur zes maanden verstreken, gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,V-nummer: [nummer],

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.47952

(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman).

en

(gemachtigde: mr. P.A.L.A van Ittersum).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. In deze maatregel is eveneens een verlengingsbesluit aan eiser opgelegd. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet rechtmatig en deze zal worden opgeheven. De rechtbank kent daarnaast een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 20 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is samen met zijn gemachtigde verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Een tolk is op de rechtbank in Groningen verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Verlengingsbesluit

3. Eiser stelt zich, met verwijzing naar het Aroja-arrest, op het standpunt dat het verlengingsbesluit te laat is genomen. Eiser heeft in het verleden meermaals in vreemdelingenbewaring gezeten in Nederland. De duur daarvan is 276 dagen. Dat is meer dan de toegestane zes maanden (lees: 180 dagen) en dus had de minister tijdens de inbewaringstelling van 27 oktober 2025 tot en met 29 januari 2026 een verlengingsbesluit moeten nemen. Dat heeft de minister niet gedaan. Daar komt bij dat de minister de inbewaringstellingen in andere Europese landen niet heeft meegerekend en daarmee wellicht ook de achttien maanden zijn overschreden. Ook heeft de minister de duur en gronden voor de verlenging onvoldoende gemotiveerd in het verlengingsbesluit.

4. De minister betoogt dat er terecht en op goede gronden een verlengingsbesluit is genomen. Hoewel verlenging op basis van het Aroja-arrest in dit geval eerder had gemoeten, was dat voor de minister niet eerder mogelijk. Gedurende de eerdere bewaringsmaatregelen was het arrest nog niet gewezen en nog niet duidelijk hoe de periode van zes maanden moet worden berekend. Eiser heeft verder niet aangetoond dat hij in andere landen gedetineerd is geweest op grond van het in 2023 in Nederland opgelegde terugkeerbesluit.

5. De rechtbank stelt vast dat in de maatregel van bewaring, onder het kopje ‘Verlengingsbesluit’, onder meer het volgende staat vermeld:“Betrokkene heeft eerder gedurende de volgende periode in vreemdelingenbewaring verbleven ter fine van uitzetting op grond van artikel 59 VW:

- 10 december 2024 tot en met 23 mei 2025;

- 27 oktober tot en met 29 januari 2026;

- 1 juni 2026 tot en met 2 juni 2026;

- 5 juni 2026 tot en met 10 juni 2026.

Deze perioden van vreemdelingenbewaring zijn opgelegd ter fine van uitzetting en worden, gelet op de cumulatie van eerdere bewaringsperioden, betrokken bij de beoordeling van de maximale duur van bewaring. De initiële maximale termijn van zes maanden is reeds verstreken. De onderhavige inbewaringstelling vindt derhalve plaats binnen de verlengingstermijn.”

De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn, volgt dat iedere lidstaat een maximale bewaringsduur vaststelt die niet meer dan zes maanden mag bedragen. In artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn is bepaald, voor zover van belang, dat de hiervoor genoemde termijn slechts in beperkte mate en ten hoogste met nog eens twaalf maanden kan worden verlengd. In artikel 59, vijfde lid, van de Vw staat dat de bewaring in principe niet langer duurt dan zes maanden. In artikel 59, zesde lid, van de Vw is vervolgens bepaald dat die bewaring, onder de daar weergegeven voorwaarden, nog eens met ten hoogste twaalf maanden kan worden verlengd. De minister heeft in zijn beleid opgenomen dat de DTenV de vreemdeling vóór het verstrijken van de zes maanden moet informeren over de verlenging van de bewaring, als er redenen zijn om de bewaring met een termijn van maximaal twaalf maanden te verlengen.

Uit het arrest Aroja volgt onder meer, en voor zover hier van belang, dat de maximale duur van bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit in zijn totaliteit niet meer dan achttien maanden mag bedragen. Daarbij moeten alle afzonderlijke periodes van bewaring die in het kader van datzelfde terugkeerbesluit zijn opgelegd, bij elkaar worden opgeteld. Daarnaast kan uit rechtsoverwegingen 56 en 87 van dit arrest worden afgeleid dat vóór het verstrijken van de (gecumuleerde) oorspronkelijke maximale termijn van zes maanden een besluit tot verlenging moet zijn genomen.

De rechtbank stelt vast dat aan eiser op 13 november 2023 een terugkeerbesluit is opgelegd voor Algerije. Eiser heeft vervolgens in de periode van 10 december 2024 tot en met 23 mei 2025 en 27 oktober 2025 tot en met 29 januari 2026 in bewaring gezeten op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw. Deze periode bedraagt meer dan 180 dagen (zes maanden). Deze rechtbank heeft de bewaring van eiser in de periode van 10 december 2024 tot en met 23 mei 2025 en 27 oktober 2025 tot en met 29 januari 2026 meermaals getoetst en in orde bevonden. Deze uitspraken staan in rechte vast en de rechtmatigheid van de voorgaande maatregelen ligt in zoverre ook niet ter toetsing voor. Voor het verlengingsbesluit ligt dat anders. De rechtbank dient, op dit moment, te beoordelen of aan de voorwaarden voor een verlengingsbesluit is voldaan. Zoals hiervoor is weergegeven volgt uit het arrest Aroja dat een verlengingsbesluit moet worden genomen voordat de maximale bewaringsduur van zes maanden is bereikt. Het Europees Hof van Justitie heeft daarnaast voor recht verklaard dat artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn zo moeten worden uitgelegd dat: ‘alle perioden van bewaring die een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdaan van een derde land op grond van artikel 15 van die richtlijn ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit in die lidstaat heeft uitgezeten, moeten worden samengeteld om te bepalen of de krachtens een van deze bepalingen vastgestelde maximale bewaringsduur is bereikt’. De uitleg die het Europees Hof van Justitie geeft aan een voorschrift van Unierecht verklaart en preciseert de betekenis en de strekking van dat voorschrift zoals dat vanaf het tijdstip van inwerkingtreding ervan moet of had moeten worden verstaan en toegepast. De rechtbank oordeelt daarom dat aan eiser geen verlengingsbesluit opgelegd had mogen worden, omdat de (opgetelde) maximale termijn van zes maanden al was verstreken. De beroepsgrond slaagt en het beroep is alleen al hierom gegrond. De overige gronden behoeven geen nadere bespreking.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.

Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank als zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 12 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 12 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.440,-.

Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-. De rechtbank rekent 1 punt voor de kennisgeving en 1 punt voor het verschijnen op de zitting. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van

E.S. Tiggelaar, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. V.A.G. van Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand