ECLI:NL:RBDHA:2026:25019

ECLI:NL:RBDHA:2026:25019

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer NL23.30952 en NL24.9193
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Terugkeerbesluit, Richtlijn Tijdelijke Bescherming, derdelanders Oekraïne

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL23.30952 en NL24.9193

(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Gezien de onderlinge samenhang van de beroepen, behandelt de rechtbank op grond van artikel 8:14 van de Algemene wet bestuursrecht de beroepen gevoegd.

NL23.30952

Verweerder heeft met het besluit van 31 augustus 2023 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na 4 september 2023 Nederland dient te verlaten.

Eiser heeft op 28 september 2023 tegen deze beschikking beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL23.30953).

Bij besluit van 27 februari 2024 heeft verweerder de beschikking van 31 augustus 2023 ingetrokken.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft het verzoek om een voorlopige voorziening (NL23.30953) op 29 maart 2024 niet-ontvankelijk verklaard.

NL24.9193

Bij besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd.

Eiser heeft op 5 maart 2024 tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL24.9513). De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft dit verzoek op 28 maart 2024 afgewezen. Eiser heeft daarna een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL24.14847). Bij uitspraak van 10 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, dit verzoek toegewezen, het bestreden besluit geschorst en bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat verzoeker dient te worden behandeld als begunstigde van tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 van 4 maart 2022 (Richtlijn Tijdelijke Bescherming; RTB) en dat de verstrekte voorzieningen en rechten dienen te worden gecontinueerd totdat uitspraak zal zijn gedaan op het beroep.

Eiser heeft op 13 maart 2024 beroepsgronden ingediend.

Eiser heeft op 4 september 2025 een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL25.42659).

Eiser heeft bij brief van 9 juni 2026 de gronden van het beroep aangevuld en verklaard dat hij geen gebruik wil maken van zijn recht ter zitting te worden gehoord onder de voorwaarde dat de rechtbank de nadere beroepsgronden volledig bij haar oordeel betrekt.

Met toestemming van partijen doet de rechtbank op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

NL24.9193

Inleiding

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1998 en bezit de Indiase nationaliteit. Hij had in Oekraïne een verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 30 mei 2023 buiten behandeling gesteld

2. Verweerder heeft bij besluit van 31 augustus 2023 bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Bij brief van 6 september 2023 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat de gevolgen van beëindiging van de tijdelijke bescherming zijn bevroren. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat verweerder de facultatieve bescherming niet per 4 september 2023 heeft kunnen beëindigen, en heeft bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. Bij brief van 24 januari 2024 heeft verweerder vervolgens eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024.

3. Verweerder heeft op 7 februari 2024 tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin is vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en bepaald dat hij de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein binnen vier weken na 4 maart 2024 moet verlaten om terug te keren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft (India). Voorts is aangegeven dat eiser vanwege dit terugkeerbesluit in het Schengen Informatie Systeem (SIS) wordt gesignaleerd.

4. Verweerder heeft het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit van 31 augustus 2023 op 27 februari 2024 ingetrokken. Verweerder heeft hierbij aangeboden om de proceskosten van eiser te vergoeden.

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de besluiten van 31 augustus 2023 en 7 februari 2024 onrechtmatig zijn. In het nadere beroepschrift van 9 juni 2026 erkent eiser dat de facultatieve tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Eiser betoogt echter dat hij niet onder deze groep valt maar tot de verplichte primaire doelgroep behoort.

Beoordeling door de rechtbank

6. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 en op 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) over de beëindiging van deze tijdelijke bescherming. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een bevriezingsmaatregel genomen, inhoudende dat personen van wie de tijdelijke bescherming was beëindigd langer gebruik mochten maken van de rechten die zij onder de RTB hadden.

7. Het Hof heeft bij arrest van 19 december 2024 de door de Afdeling en zittingsplaats Amsterdam gestelde vragen beantwoord. Het Hof heeft geoordeeld dat het Unierecht een lidstaat toestaat om de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof dient te worden toegepast en heeft bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Verder heeft de Afdeling vastgesteld dat uit het arrest van het Hof volgt dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort. Bij brief van 3 juni 2025 aan de Tweede Kamer heeft verweerder meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan.

8. Nu het bestreden besluit van 31 augustus 2023 is ingetrokken en daarmee de gewenste vernietiging van dat besluit is bereikt, is verweerder aan het beroep van eiser tegemoetgekomen en heeft eiser geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden.

9. Wat betreft het bestreden besluit van 7 februari 2024 overweegt de rechtbank als volgt. In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling bevestigd dat de tijdelijke bescherming (van rechtswege) op 4 maart 2024 is geëindigd. Aangezien het terugkeerbesluit echter al op 7 februari 2024 is genomen, is het terugkeerbesluit - zoals volgt uit de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 - te vroeg genomen. Verweerder heeft ook geen later terugkeerbesluit opgelegd. Het beroep is dus gegrond. De (overige) beroepsgronden behoeven geen bespreking. Gelet hierop ziet de rechtbank ook geen aanleiding om het onderzoek te heropenen om verweerder te laten reageren op de nadere beroepsgronden van eiser en/of partijen ter zitting te horen. Mocht verweerder overwegen een nieuw terugkeerbesluit op te leggen, dan kan eiser alsnog de gronden naar voren brengen die hij in deze beroepsprocedure naar voren heeft gebracht.

Conclusie

NL23.30952

10. Het beroep is niet-ontvankelijk.

11. Verweerder heeft zich al bereid verklaard de proceskosten te vergoeden. Daarom bestaat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling.

11. Het beroep is gegrond.

12. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

NL24.9193

De rechtbank:

NL23.30952

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 7 februari 2024;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser heeft gemaakt tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J. de Gans

Griffier

  • mr. E.F. Derksen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand