RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.26103 en NL24.8398
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Gezien de onderlinge samenhang van de beroepen, behandelt de rechtbank op grond van artikel 8:14 van de Algemene wet bestuursrecht de beroepen gevoegd.
NL23.26103
Eiseres heeft op 1 september 2023 beroep ingesteld tegen een beschikking die eiseres toen nog niet had ontvangen. Zij heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL23.26104).
Eiseres heeft op 15 september 2023 beroepsgronden ingediend.
NL24.8398
Bij besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiseres heeft op 1 maart 2024 tegen dat besluit beroep ingesteld en beroepsgronden ingediend.
Met toestemming van partijen doet de rechtbank op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
NL24.8398
Inleiding
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1997 en bezit de Nigeriaanse nationaliteit. Zij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 van 4 maart 2022 (Richtlijn Tijdelijke Bescherming; RTB). Ook heeft zij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 25 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Eiseres heeft het tegen dat besluit ingestelde beroep later ingetrokken zodat dit besluit in rechte vaststaat.
2. Bij brief van 6 september 2023 heeft verweerder eiseres geïnformeerd dat de gevolgen van beëindiging van de tijdelijke bescherming zijn bevroren. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat verweerder de facultatieve bescherming niet per 4 september 2023 heeft kunnen beëindigen, en heeft bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. Bij brief van 24 januari 2024 heeft verweerder vervolgens eiseres gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024.
3. Verweerder heeft op 7 februari 2024 tegen eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin is vastgesteld dat eiseres met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en bepaald dat zij de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein binnen vier weken na 4 maart 2024 moet verlaten om terug te keren naar het land waarvan zij de nationaliteit heeft (Nigeria). Voorts is aangegeven dat eiseres vanwege dit terugkeerbesluit in het Schengen Informatie Systeem (SIS) wordt gesignaleerd.
Beoordeling door de rechtbank
NL23.26103
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een beschikking waarin verweerder kenbaar zou hebben gemaakt dat het recht van eiseres op tijdelijke bescherming eindigt op 4 september 2023. Eiseres heeft echter desgevraagd geen (kopie van) dit besluit overgelegd en de rechtbank heeft dit besluit ook niet in het dossier aangetroffen. Nu in deze zaak niet is gebleken van een appellabel besluit is de rechtbank onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
NL24.8398
5. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 en op 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) over de beëindiging van deze tijdelijke bescherming. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een bevriezingsmaatregel genomen, inhoudende dat personen van wie de tijdelijke bescherming was beëindigd langer gebruik mochten maken van de rechten die zij onder de RTB hadden.
6. Het Hof heeft bij arrest van 19 december 2024 de door de Afdeling en zittingsplaats Amsterdam gestelde vragen beantwoord. Het Hof heeft geoordeeld dat het Unierecht een lidstaat toestaat om de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof dient te worden toegepast en heeft bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Verder heeft de Afdeling vastgesteld dat uit het arrest van het Hof volgt dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort. Bij brief van 3 juni 2025 aan de Tweede Kamer heeft verweerder meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan.
7. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij meerdere beroepsgronden naar voren gebracht.
8. In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling bevestigd dat de tijdelijke bescherming (van rechtswege) op 4 maart 2024 is geëindigd. Aangezien het terugkeerbesluit echter al op 7 februari 2024 is genomen, is het terugkeerbesluit - zoals volgt uit de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 - te vroeg genomen. Verweerder heeft ook geen later terugkeerbesluit opgelegd. Het beroep is dus gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.
Conclusie
NL23.26103
9. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
11. Het beroep is gegrond.
12. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
NL23.26103
- verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen;
NL24.7066
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 7 februari 2024;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres heeft gemaakt tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.