RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.48550
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 10 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Bij besluit van 21 augustus 2026 (het verlengingsbesluit) heeft verweerder de maatregel van vreemdelingenbewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.
Verweerder heeft de rechtbank in kennis gesteld van het verlengingsbesluit door middel van een kennisgeving. Daarmee wordt eiser geacht tegen het verlengingsbesluit beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 31 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Op grond van artikel 59, vijfde lid, van de Vw duurt de bewaring krachtens het eerste lid niet langer dan zes maanden. Op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw kan de bewaring ten hoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documenten uit derde landen nog ontbreken.
Motivering van het verlengingsbesluit
3. Eiser voert aan dat onduidelijk is welke bewaringsperioden zijn meegeteld door verweerder om tot de conclusie te komen dat de bewaring verlengd moest worden. Hierdoor is het onduidelijk of het verlengingsbesluit tijdig is genomen en is het verlengingsbesluit onvoldoende gemotiveerd.
4. Verweerder heeft in het verweerschrift uiteengezet welke eerdere bewaringsperioden zijn meegeteld op grond van het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Uit deze berekening volgt dat eiser op 21 augustus 2026 zes maanden in bewaring zat op grond van hetzelfde terugkeerbesluit, op basis waarvan verweerder op diezelfde datum een verlengingsbesluit heeft genomen. Het verlengingsbesluit is daarmee genomen vóór het verstrijken van de in artikel 59, vijfde lid, van de Vw genoemde termijn van zes maanden. Daarmee is de bewaring tijdig verlengd. Zoals verweerder terecht opmerkt, zijn de eerdere periodes van bewaring tevens opgesomd in de maatregel van 10 augustus 2026. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn beroepsgrond dat het verlengingsbesluit onvoldoende is gemotiveerd.
Voorwaarden voor verlenging
5. Eiser voert voorts aan dat ondeugdelijk gemotiveerd is dat uitzetting meer tijd zal volgen. De enkele stelling van verweerder dat eiser niet meewerkt aan zijn vertrek is onvoldoende motivering dat uitzetting naar verwachting meer tijd zal vergen.
6. Uit het verlengingsbesluit en de daaraan ten grondslag liggende stukken blijkt dat op 18 augustus 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden, waarin eiser heeft aangegeven mee te werken aan zijn geplande vertrek op 24 augustus 2026. Op 24 augustus 2026 heeft eiser echter asiel aangevraagd, op basis waarvan de vlucht geannuleerd is. Op 25 augustus 2026 heeft eiser de asielaanvraag weer ingetrokken en het M53 formulier (Verklaring tot intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning) ondertekend. Ook eerder is gebleken dat eiser geen medewerking verleent aan zijn vertrek. Uit het dossier blijkt dat eiser in de gelegenheid is gesteld voor een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten, maar dat eiser heeft geweigerd hieraan mee te werken. Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen medewerking verleent aan zijn uitzetting en genoegzaam gemotiveerd waarom uitzetting naar verwachting meer tijd zal vergen. Er bestaat bovendien geen grond voor het oordeel dat verweerder onvoldoende inspanning heeft verricht om eisers uitzetting te realiseren. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de bewaring als bedoeld in artikel 59, zesde lid, van de Vw.
Bewaringsgronden
7. De rechtbank stelt vast dat het verlengingsbesluit mede verwijst naar de gronden van bewaring zoals opgenomen in de maatregel van 10 augustus 2026. Eiser heeft deze gronden in de huidige procedure niet bestreden. Niet is gebleken dat deze gronden, die door de rechtbank eerder zijn getoetst, zich niet langer voordoen. Gelet hierop bestaat nog altijd het risico dat eiser zal onderduiken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Ambtshalve toets
8. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor de conclusie dat het verlengingsbesluit dan wel het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is.
Conclusie
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 31 augustus 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaargemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.