RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48232
(gemachtigde: mr. M. Jozefzoon-Flipse),
en
(gemachtigde: mr. J.L.A.F. van Halteren).
Procesverloop
1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor vernieuwing van haar EU-verblijfsdocument, dan wel een verblijfsvergunning op grond artikel 8 van het Verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 7 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 september 2025 op het bezwaar van verzoekster is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld, en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek samen met het beroep, zaaknummer NL25.48229, op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Bij uitspraak van vandaag in zaaknummer NL25.48229 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
4. De voorzieningenrechter ziet, gelet op de inhoud van de uitspraak op het beroep aanleiding te bepalen dat verzoekster een vergoeding krijgt van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra - Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.