RECHTBANK DEN HAAG
[verzoekster], verzoekster,
de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: D. Meier).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.49293
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. G. van Reemst),
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Bij besluit van 19 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van verzoekster ingewilligd. Verzoekster heeft hiertegen op 10 december 2024 beroep ingesteld, omdat zij het er niet mee eens was dat de minister in het bestreden besluit haar verzoek om aanpassing van haar achternaam en geboortedatum heeft afgewezen.
Bij besluit van 27 mei 2025 heeft de minister een nieuw besluit genomen, waarin het verzoek van verzoekster om aanpassing van haar achternaam en geboortedatum is gevolgd.
Verzoekster heeft naar aanleiding hiervan op 27 mei 2025 het beroep ingetrokken. Zij heeft daarbij verzocht om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De minister heeft op 21 juli 2025 op het verzoek gereageerd en aangegeven bereid te zijn de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
Overwegingen
1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een indiener het beroep intrekt, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan diens beroepschrift, dan kan de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten van de indiener.2
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb, in samenhang met het Besluit Proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb alleen sprake is als het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig heeft herzien dat daarmee in feite wordt erkend dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was.3
4. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, is de minister tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. De minister heeft immers een nieuw besluit genomen en daarbij rekening gehouden met wat verzoekster in beroep naar voren heeft gebracht.
5. Het verzoek wordt om die reden als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
3 ECLI:NL:RVS:2013:676 en ECLI:NL:RVS:2019:1084.