RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. A. Sloots).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.8760
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels),
en
Procesverloop
3. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Ethiopische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2007. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 februari 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Batha als tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek ter zitting is geschorst, in afwachting van uitspraken van de
1. Vreemdelingenwet 2000
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over de situatie in Ethiopië.
6. De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 27 mei 2026 verder op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, G. Ogbamichael als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
Het buitenschuldbeleid amv
Het asielrelaas
7. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is vanaf de vijfde klas op school gediscrimineerd en gepest. Ook stelt hij door agenten en soldaten te zijn mishandeld. Dit gebeurde omdat eiser Tigreeër is. Eiser heeft Ethiopië in oktober of november 2020 verlaten samen met zijn familie om de oorlog te ontvluchten. Eiser en zijn familie zijn naar [plaats 1] gevlucht en hebben daar drie jaar in vluchtelingenkamp [naam 1] verbleven. In het vluchtelingenkamp wilden andere mensen met eiser een strijdgroep vormen. De vader van eiser wilde niet dat eiser zich daarbij aansloot en heeft eiser naar [plaats 2] gestuurd. In [plaats 2] is eiser na zes maanden ontvoerd en meegenomen naar Libië. Vanuit Libië is eiser via Italië, Frankrijk en België naar Nederland gereisd.
8. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
(1) De identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) De problemen vanwege de oorlog in Tigray;
(3) De discriminatie vanwege de etniciteit van eiser.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat alle asielmotieven geloofwaardig zijn, maar dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat hij geen reëel risico loopt op ernstige schade. Hiertoe heeft de minister overwogen dat eiser zijn vrees voor gedwongen rekrutering niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij problemen zal ondervinden met de [naam 2] vanwege zijn Tigrese etniciteit. De discriminatie die eiser heeft meegemaakt heeft niet een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden opgeleverd dat het voor eiser onmogelijk was op om maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Verder heeft de minister overwogen dat eiser ook niet in aanmerking komt voor een vergunning wegens eerdere confrontatie met wandaden, omdat de mensen die hij vermoord heeft zien worden geen naaste familieleden, huisgenoten of andere verwanten of vrienden waarmee eiser een hechte band had, waren. De minister concludeert daarom dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.
9. De minister heeft ook overwogen dat eiser geen verblijfvergunning krijgt op grond van het buitenschuldbeleid voor minderjarige alleenstaande vreemdelingen (amv). De minister is van mening dat uit het onderzoek naar adequate opvang geen concrete conclusies konden worden getrokken en dat het onderzoek niet kon worden afgerond tijdens de minderjarigheid van eiser. Eiser heeft onvoldoende pogingen ondernomen om te achterhalen waar zijn ouders zijn en om weer met hen in contact te komen. Verder is eiser inmiddels
meerderjarig en daarom kan van hem worden verwacht dat hij een zelfstandig bestaan opbouwt in Ethiopië.
10. Tot slot heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd naar Ethiopië.
De gedwongen rekrutering
11. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte de gedwongen rekrutering in [plaats 1] niet heeft getoetst. De rekrutering in [plaats 1] heeft betrekking op het meevechten met de milities in het land van herkomst. In zowel [plaats 1] als Ethiopië zijn dezelfde milities aanwezig. Nu niet is bestreden dat sprake is geweest van gedwongen rekrutering in het vluchtelingenkamp in [plaats 1] , had het op de weg van de minister geleden om te beoordelen of er een risico op gedwongen rekrutering bestond bij terugkeer naar [plaats 1] . Verder voert eiser aan dat het gevaar om gedwongen gerekruteerd te worden bij terugkeer naar Ethiopië ook niet is uitgesloten. De minister dient hier rekening mee te houden bij de beoordeling van de asielaanvraag. Eiser verwijst in dit kader naar een brief van Vluchtelingenwerk waaruit volgt dat er berichten zijn over een toename in mensenhandel over de Rode Zee naar Jemen, mogelijk veroorzaakt door een rekruteringscampagne van het nationale leger dat zich vooral richt op etnische minderheden.2 Ook zou er sprake zijn van gedwongen rekrutering van jongeren voor trainingskampen van het nationale leger. Verder verwijst eiser naar een rapport van Asylum Research Centre, waaruit volgt dat de massale rekrutering van jongeren in het leger om te vechten in de noordelijke oorlog in 2021 werd ingevoerd en in 2022, in mindere mate, is voortgezet.3
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de vrees van eiser voor gedwongen rekrutering in [plaats 1] terecht niet als asielmotief aangemerkt en getoetst. De minister heeft hierbij terecht overwogen dat hetgeen eiser in [plaats 1] heeft meegemaakt niet wordt getoetst omdat dit buiten het land van herkomst van eiser heeft plaatsgevonden. Daarbij komt dat het terugkeerbesluit dat aan eiser is opgelegd ziet op Ethiopië, en niet op [plaats 1] .
13. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser zijn vrees voor gedwongen rekrutering in Ethiopië niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit het Algemeen ambtsbericht van Ethiopië van 2024 volgt dat er geen berichten zijn waaruit blijkt van gedwongen rekrutering.4 Ook uit de bronnen waar eiser naar heeft gewezen komt geen beeld naar voren waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat eiser een persoonlijk en concreet risico loopt op gedwongen rekrutering bij terugkeer. Zo volgt uit het situation report van Europe External Programme with Africa van 31 oktober 2024: “there are reports of an increase in human trafficking across the Red Sea to Yemen. This has reportedly potentially been triggered by a recruitment campaign by the Ethiopian National Defence Force, particularly ethnic minorities”. Uit deze bron blijkt dus dat de toename van mensenhandel mogelijk wordt veroorzaakt door rekrutering door het nationale leger. Uit het rapport van de Deense Immigratiedienst blijkt wel dat sprake is van gedwongen rekrutering voor het Ethiopische nationale leger, maar met name in de provincie [provincie] . Ook uit het
2 Vluchtelingenwerk Nederland, 29 april 2025, Ethiopië – Gedwongen rekrutering. Eiser verwijst naar twee bronnen die volgen uit deze brief van Vluchtelingenwerk: Europe External Programme with Africa van 31 oktober 2024 en een rapport van de Deense Immigratiedienst van 6 oktober 2024.
3 Rapport van Asylum Research Centre van november 2022.
4 Pagina 38.
rapport van Asylum Research Centre volgt dat de rekrutering van jongeren plaatsvindt in andere regio’s dan waar eiser vandaan komt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te oordelen dat aannemelijk is dat eiser bij terugkeer risico loopt op gedwongen rekrutering. De beroepsgrond slaagt niet.
De terugkeer naar Ethiopië
14. Eiser voert aan dat de minister zijn standpunt dat geen sprake is van willekeurig geweld in Ethiopië, en met name in West-Tigray, onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister baseert zich onvoldoende op actuele informatie over de machtsverhoudingen en de veiligheidssituatie in West-Tigray, en in het specifiek de plaats waar eiser vandaan komt. Deze plaats staat niet onder de controle van de Interim Regional Administration of Tigray (TIRA) en is betwist gebied. Ondanks het vredesakkoord is het er onrustig gebleven en wordt er melding gemaakt mensenrechtenschendingen. Niet valt in te zien waarom er geen sprake is van een binnenlands gewapend conflict. Ook heeft de minister de slechte humanitaire situatie onvoldoende betrokken bij zijn beoordeling. Verder is er sprake van discriminatie van etnische Tigreeërs in Ethiopië. Eiser heeft verwezen naar verschillende bronnen met landeninformatie.5
15. De rechtbank stelt als eerste het volgende vast. Eiser is afkomstig uit [plaats 3] in Ethiopië. Partijen zijn het er over eens dat [plaats 3] in een gebied in West-Tigray ligt, dat niet onder bewind van de TIRA staat, en dat eiser afkomstig is uit een gebied dat kwalificeert als betwist gebied.
16. De Afdeling heeft op 17 december 2025 uitspraken gedaan over de veiligheidssituatie in Mek’ele (de hoofdstad van de regio Tigray).6 De Afdeling heeft hierin geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat er in Mek’ele geen sprake is van een binnenlands gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Hierbij heeft de Afdeling van belang geacht dat Mek’ele onder het beheer van de TIRA staat en dat de veiligheidssituatie daar beter is dan in de betwiste gebieden in Tigray. De rechtbank stelt vast dat het feitencomplex in genoemde Afdelingsuitspraken wezenlijk verschilt van het feitencomplex dat voorligt in onderhavige zaak. Eiser is namelijk, zoals eerder vastgesteld, afkomstig uit een gebied dat niet onder controle staat van de TIRA en dat kwalificeert als betwist gebied. De conclusie die door de Afdeling wordt getrokken in genoemde uitspraken is daarom niet van betekenis voor dit beroep.
17. Verder heeft de Afdeling op 26 januari 2026 uitspraak gedaan over de veiligheidssituatie in [plaats 4] , een stad in de regio Tigray.7 Ook hier is de Afdeling tot de
5 The New Humanitarian, A power struggle in Tigray risks Ethiopia’s peace deal, 4 maart 2025; ACLED, Ethiopia: Fresh clashes renew fears for a return to conflict, 2 februari 2026; Global Centre for the Responsibility to Protect, Ethiopia on the Brink: International community must act urgently to prevent mass atrocities, 20 februari 2026; Ethiopian Human Rights Commission: Human rights concerns related to the conflict and military movements in some areas bordering the Tigray, [naam 2] and [naam 3] regions, 30 januari 2026; Deutsche Welle, Ethiopia faces renewed strain with Tigray and Eritrea, 20 februari 2026 en Protection Cluster Ethiopia, Technical working group updates, februari 2026.
6 ECLI:NL:RVS:2025:6058 en ECLI:NL:RVS:2025:6187.
7 ECLI:NL:RVS:2026:396.
conclusie gekomen dat er geen sprake is van een situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Uit de uitspraak volgt dat de minister zich in die zaak heeft gebaseerd op verschillende bronnen met landeninformatie uit 2024. Tijdens de zitting heeft de minister ook gewezen op een niet gepubliceerde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, met zaaknummer NL25.13481, over de situatie in [plaats 4] , een plaats op zo’n 30 kilometer van [plaats 3] , waar eiser vandaan komt. Omdat deze uitspraak niet is gepubliceerd en niet is overgelegd kan de rechtbank deze niet bij de beoordeling betrekken.
18. De rechtbank constateert dat in de onderhavige zaak eiser heeft gewezen op recentere landeninformatie. Zo heeft eiser gewezen op een rapport van Human Rights Watch van 22 april 2026, waaruit onder andere volgt”:
“Authorities and security forces in Ethiopia’s contested Western Tigray Zone are arbitrarily detaining ethnic Tigrayans and severely restricting their movements, employment and access to services. (…) The Ethiopian government and their international partners seem determined to ignore the treatment of Tigrayens as effectively second-class citizens” ”.8
Verder heeft eiser gewezen op verschillende bronnen die dateren van 4 maart 2025 tot en met 24 februari 2026.9
19. De minister heeft in zijn verweerschrift gewezen op verschillende bronnen met landeninformatie, waarvan de meest recente bron dateert uit oktober 2025. De landeninformatie waar eiser naar heeft verwezen is dus recenter. Het lag op de weg van de minister om aan de hand van de meest recente landeninformatie te beoordelen wat de huidige veiligheidssituatie in West-Tigray (en in het specifiek in de woonplaats van eiser) is. De minister heeft dit nagelaten. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Ethiopië een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM en artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn. De beroepsgrond slaagt.
20. Eiser voert aan dat hij tijdens het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van 6 maanden (op 2 oktober 2024) nog minderjarig was. De minister had genoeg tijd om onderzoek te kunnen doen naar adequate opvang. Eiser had met terugwerkende kracht in het bezit moeten worden gesteld van een buitenschuldvergunning aangezien zijn ouders nog steeds in [plaats 1] verblijven.
21. De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest TQ en de rechtspraak van de Afdeling10 volgt dat de minister – voordat er een terugkeerbesluit wordt opgelegd aan een amv-onderzoek moet doen naar de aanwezigheid van adequate opvang in het land van herkomst. Dit onderzoek moet plaatsvinden als de vreemdeling minderjarig is. Zodra de vreemdeling meerderjarig is geworden, is de minister niet langer gehouden nog onderzoek te doen naar
8 Human Rights Watch, Ethiopia: Persecution of Tigrayens Unrelenting. Rights Abusers Still in Power in Western Tigray: Returns Unsafe, 22 april 2026.
9 Zie voetnoot 5.
10 Zie de uitspraken van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530 en ECLI:NL:RVS:2022:1531 en van 13 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:114.
de adequate opvangmogelijkheden in het land van herkomst. De minister kan in zo’n geval echter niet volstaan met het standpunt dat de vreemdeling meerderjarig is geworden.
Daarmee gaat hij namelijk zijn verantwoordelijkheid uit de weg om inzichtelijk te maken wat hij in de periode voordat de vreemdeling meerderjarig werd aan onderzoek heeft verricht. Hij moet dan ook in zo’n geval beoordelen of de vreemdeling in aanmerking komt voor een reguliere vergunning op grond van het amv buitenschuldbeleid. In dat verband moet de minister motiveren welk onderzoek er is verricht naar adequate opvang vanaf het moment van de asielaanvraag en hoe lang dat onderzoek naar verwachting zou duren. Als de vreemdeling meerderjarig is geworden voordat het onderzoek naar adequate opvang is afgerond, moet de minister aannemelijk maken waarom het onderzoek toen nog niet was afgerond. Hierbij is de vraag van belang of de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld. Daarbij kan hij betekenis toekennen aan de leeftijd van de vreemdeling ten tijde van de asielaanvraag in Nederland, afgezet tegen de beslistermijn op de asielaanvraag van in beginsel zes maanden en de duur van het onderzoek die als redelijk kan worden aangemerkt.
22. De minister heeft naar aanleiding van de rechtspraak van de Afdeling beleid gemaakt. In Informatiebericht (IB) 2023/41 staat dat als niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van adequate opvang tijdens de minderjarigheid, de IND inzichtelijk moet maken waarom het onderzoek naar adequate opvang niet was afgerond ten tijde van de minderjarigheid van de amv. Hierbij worden meegewogen: de leeftijd van de amv ten tijde van de asielaanvraag, de duur van de asielprocedure en de duur van het onderzoek. Dit is de algemene lijn die in elke zaak een individuele afweging en motivering vergt.11
23. De rechtbank stelt vast dat eiser nog voor de minister op zijn asielaanvraag heeft beslist meerderjarig is geworden. Dat betekent, gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader, dat de minister gedurende de minderjarigheid van eiser voortvarend aan het onderzoek naar het bestaan van adequate opvang in Ethiopië moet hebben gewerkt en dat hij dat in het besluit inzichtelijk moet hebben gemaakt.
24. De rechtbank is van oordeel dat de minister tijdens de minderjarigheid van eiser onvoldoende voortvarend onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van adequate opvang. De minister stelt dat er tijdens het aanmeldgehoor van 6 maart 2024 en tijdens het nader gehoor van 12 februari 2025 onderzoek heeft plaatsgevonden. Het nader gehoor vond echter plaats toen eiser al meerderjarig was en kan dus niet meewegen in de beoordeling of de minister voldoende voortvarend onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van adequate opvang tijdens de minderjarigheid van eiser. Tijdens het aanmeldgehoor van 6 maart 2024 heeft de minister alleen aan eiser gevraagd wie er voor hem heeft gezorgd in Ethiopië en of zijn ouders nog in leven zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende om te kunnen oordelen dat de minister heeft voldaan aan zijn verplichting om voortvarend onderzoek te doen naar het bestaan van adequate opvang in Ethiopië. De minister heeft in zijn besluitvorming namelijk ook niet inzichtelijk gemaakt waarom verder onderzoek tijdens de minderjarigheid van eiser niet mogelijk is gebleken. In zijn besluitvorming heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat van eiser verwacht had mogen worden zelf onderzoek te doen naar de verblijfplaats van zijn ouders, eventueel via het contacteren van hulporganisaties. De rechtbank volgt de minister in zoverre dat ook op eiser een
11 Informatiebericht 2023/41 Beslissen op Amv zaken na de Afdelingsuitspraken van 8 juni 2022 (actualisering).
verantwoordelijkheid rust in het kader van het onderzoek naar adequate opvang.12 Eiser is tijdens het aanmeldgehoor van 6 maart 2024 echter niet gewezen op deze verantwoordelijkheid. Eiser heeft de vragen van de gehoormedewerker over zijn ouders beantwoord en er is niet aan hem uitgelegd wat er verder van hem werd verwacht. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser onvoldoende pogingen heeft ondernomen de locatie van zijn ouders te achterhalen. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
25. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Ook de weigering om aan eiser een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor amv te verlenen kan niet in stand blijven. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
26. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor twaalf weken.
27. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op €2.802,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 2 punten voor het tweemaal verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van €934,- bij een wegingsfactor 1).
12 Dit volgt ook uit de Afdelingsuitspraak van 21 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3331.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 augustus 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.