ECLI:NL:RBDHA:2026:25047

ECLI:NL:RBDHA:2026:25047

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-04-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer NL26.18025
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewaring - artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b Vw – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: R. Hopman).

uitspraak

Bestuursrecht zaaknummer: NL26.18025

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 2 april 2026 de gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 7 april 2026 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991.

Onrechtmatigheid van de ophouding (grondslag)

2. Eiser stelt dat de grondslag voor zijn ophouding onjuist is. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw omdat zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld. Echter, in het M105 formulier staat dat eiser geen identiteitsdocumenten bezit. Dit is tegenstrijdig aan elkaar.

3. De rechtbank is van oordeel dat uit het document ‘ID staat’ in het dossier blijkt dat eisers vingerafdrukken op 27 februari 2026 zijn afgenomen tijdens de strafrechtelijke ophouding die vooraf is gegaan aan de maatregel van bewaring. Op basis hiervan konden de personalia van eiser worden vastgesteld. De rechtbank ziet daarom geen reden om aan te nemen dat eisers identiteit ten tijde van de ophouding niet meteen konden worden vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Grondslag van de maatregel van bewaring

4. Eiser stelt dat hij op een verkeerde grondslag in bewaring is gesteld. Eiser heeft namelijk niet aangegeven dat hij asiel wenste aan te vragen. De minister heeft dit ten onrechte afgeleid uit een niet recent gehoor van 17 juli 2023. Verder is ook niet duidelijk wanneer de (onterechte) asielaanvraag is ingetrokken. Als eiser zijn uiting tot intrekking van de asielaanvraag op 3 april 2026 of eerder heeft gedaan, is de maatregel niet na uiterlijk 2 dagen omgezet.

5. Uit de maatregel van bewaring en het M110 formulier blijkt dat eiser vanwege zijn psychische gesteldheid niet in staat was om – voorafgaand aan de inbewaringstelling – te worden gehoord. Uit voorzorg is daarom gekozen voor een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Uit het overgelegde formulier externe bijzonderheden zaak blijkt dat eiser op 1 maart 2026 duidelijk verward was, wartaal uitsprak en met wijd opengesperde ogen verklaarde dat hij was bezeten door voodoo.. Eiser wilde geen M-35H formulier ondertekenen, maar verklaarde ook dat hij niet veilig is in Marokko en liet daarbij littekens op zijn buik, borst en hoofd zien. Verder heeft de minister zich ervan vergewist wat eiser in eerdere gehoren heeft verklaard over Marokko. Daaruit is gebleken dat eiser op 17 juli 2023 heeft verklaard dat hij niet kan terugkeren naar Marokko, omdat hij anders wordt vermoord door een maffiabende die wordt bestuurd door de Marokkaanse politie. De rechtbank acht het zorgvuldig en niet onjuist, en bovendien ook niet in eisers nadeel dat de minister er, gelet op de psychische toestand van eiser en de tegenstrijdige signalen die hij afgaf op 1 maart 2026 alsmede zijn eerdere uitlatingen in 2023, voor heeft gekozen om niet direct werk te maken van eisers uitzetting naar Marokko, door eisers uitlatingen te interpreteren als een asielaanvraag.

6. De rechtbank stelt verder vast dat uit een interne mailwisseling van de DT&V blijkt dat de regievoerder van DT&V er op 3 maart 2026 over is geïnformeerd dat eiser kenbaar zou hebben gemaakt dat hij terug wil keren naar Marokko. Vervolgens heeft de regievoerder op 5 maart 2026 een gesprek met eiser gevoerd waarbij eiser kenbaar heeft gemaakt dat hij op 1 maart 2026 geen asiel heeft willen aanvragen. Op 6 maart 2026 is vervolgens de maatregel van bewaring omgezet. De rechtbank overweegt dat in de uitspraak van 8 april 20261 van deze rechtbank en zittingsplaats ook al is vastgesteld dat eiser zijn asielaanvraag op 5 maart 2026 heeft ingetrokken. Het omzetten van de maatregel op 6 maart 2026 is dus tijdig geweest. De beroepsgronden slagen niet.

7. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht

1. NL26.15142 en NL26.15392.

Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

8. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.

Ambtshalve toets

9. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

17 april 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.M. Spelt

Griffier

  • mr. K.L.H. Thomas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand