ECLI:NL:RBDHA:2026:25051

ECLI:NL:RBDHA:2026:25051

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-04-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer NL26.18978
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewaring - artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D. Matadien),

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.A.A. Willems ).

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.18978

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

en

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Dhr. D. Lautaru. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Zicht op uitzetting
Ambtshalve toets

1. Eiser stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987.

Ophouding aansluitend aan strafrechtelijke detentie

2. Eiser voert aan dat uit de – door de minister – overgelegde stukken onvoldoende duidelijk blijkt wanneer hij is opgehouden voor vreemdelingendetentie. Op deze manier is niet te controleren of het tijdstip van de ophouding direct aansluit bij het einde van de strafrechtelijke detentie en of eiser mogelijk enige tijd zonder titel van zijn vrijheid is beroofd.

3. De rechtbank is van oordeel dat uit de overgelegde stukken voldoende duidelijk blijkt dat eiser op 2 april 2026 om 22:05 uur door de politie is aangehouden op verdenking van opzetheling en dat tijdens de daaropvolgende ophouding is gebleken dat eiser nog 1 dag vervangende detentie voor een geldboete moest uitzitten. De vrijheidsbeneming hiervoor is op 3 april 2026 om 16:25 uur aangevangen en aan eiser is op diezelfde dag ook het M122

formulier uitgereikt door de minister. Eiser is vervolgens op 4 april 2026 in bewaring gesteld en op 5 april 2026 om 11:05 uur overgebracht naar een inrichting voor vreemdelingenbewaring. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Grondslag van de maatregel van bewaring

4. Eiser voert aan dat ten onrechte wordt gesteld dat hij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Het aan eiser opgelegde verwijderingsbesluit van 8 juli 2024 is namelijk uitgewerkt. Eiser is naar familie geweest in Spanje en heeft daar ook enige tijd gewerkt.

5. De rechtbank overweegt dat in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem (NL26.14900), van 31 maart 2026 (over een eerdere ophouding van eiser) al is geoordeeld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit. De rechtbank is van oordeel dat eiser ook nu op geen enkele manier heeft onderbouwd dat hij het centrum van zijn leven buiten Nederland heeft verplaatst.1 Eiser heeft geen stukken overgelegd om te bewijzen dat hij in Spanje of Roemenië zou hebben gewerkt en gewoond. Dat eiser op 26 november 2024 feitelijk is uitgezet naar Roemenië volstaat verder ook niet voor de conclusie dat eiser het centrum van zijn leven buiten Nederland heeft verplaatst. De rechtbank is het verder met de minister en de rechtbank Arnhem in de eerdere uitspraak eens dat het door eiser overgelegde, ongedateerde vrijwilligerscontract – waarmee eiser wil aantonen dat hij hier vrijwilligerswerk doet – ook niet aantoont dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Nederland.

6. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

7. De rechtbank stelt vast dat eisers alle zware en lichte gronden die aan de maatregelen van bewaring ten grondslag zijn gelegd betwist. Eiser stelt ten aanzien van zware grond 3a dat het verwijderingsbesluit van 8 juli 2024 is uitgewerkt en eiser dus gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer om Nederland op de voorgeschreven wijze binnen te komen. Ten aanzien van zware grond 3b voert eiser aan dat hij een Roemeense ID-kaart heeft en als unie-burger het recht op vrij verkeer heeft.

1. Hof van Justitie 22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:506.

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister de zware gronden onder 3a en 3b aan de maatregelen van bewaring ten grondslag heeft mogen leggen. Deze gronden zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft onder rechtsoverweging 5 al overwogen dat eiser nog geen gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit van 26 november 2024. Dit maakt dat eiser zich onrechtmatig in Nederland heeft begeven en niet op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen en zich daarmee ook aan het toezicht heeft onttrokken door geen melding te maken van zijn onrechtmatige verblijf.

Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er sprake is van een risico op onttrekking. Daarom slaagt de beroepsgrond niet.

Onvoldoende voortvarendheid

9. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser.

10. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser uit Nederland. Eiser is op 4 april 2026 in bewaring gesteld, op 8 april 2026 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden en vervolgens is op 9 april 2026 een aanvraag voor een laissez-passer ingediend bij de Roemeense autoriteiten. De rechtbank is van oordeel dat de minister met deze handelingen voldoende voortvarend heeft gehandeld aan eisers uitzetting. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

11. Eiser voert aan dat er onvoldoende zicht is op uitzetting.

12. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat er onvoldoende zicht zou zijn op uitzetting naar Roemenië. Eiser is eerder op 26 november 2024 ook uitgezet naar Roemenië. Eiser heeft zijn standpunt niet onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel en proportionaliteit

13. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij een feitelijk woonadres heeft. Eiser voert ook aan dat hij een vriendin heeft die in Nederland woont en dat zijn privé- en gezinsleven onvoldoende zijn meegewogen. Verder is het regime van vreemdelingenbewaring zeer bezwarend en disproportioneel voor eiser. Eiser stelt dat de maatregel daarom onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen.

14. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309)

en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).

15. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, mede gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij is in aanmerking genomen dat aan eiser eerder op 16 maart 2026 een meldplicht is opgelegd waar hij zich niet aan heeft gehouden . Verder heeft eiser – voor zover van belang – niet onderbouwd dat hij een feitelijk verblijfsadres heeft en is hij ook niet ingeschreven op een adres in Nederland. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat en met wie hij een relatie zou hebben. Eiser heeft enkel een voornaam genoemd van degene die zijn partner zou zijn. Dat de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend voor eiser zou zijn is ook niet aannemelijk geworden. De beroepsgrond slaagt niet.

16. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.

17. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

17 april 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.M. Spelt

Griffier

  • mr. K.L.H. Thomas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand